Vanuit lucht geen 'vernietiging' milieu Ogoniland

BOVEN-OGONILAND, 8 NOV. Een vlucht met de Shell-helikopter over de dampende rimboe en de van muggen vergeven mangrovemoerassen van Ogoniland, het stamgebied van een half miljoen Ogoni's en niet veel groter dan 30 bij 30 kilometer, is een wat surreële aangelegenheid maar maakt toch veel duidelijk.

Allereerst is alom zichtbaar dat aantijgingen van lokale activisten en internationale actiegroepen over 'de totale vernietiging' van het Ogoni-milieu overdreven zijn. Om het zacht uit te drukken. Dat bleek al uit een in mei 1995 verschenen rapport van de Wereldbank over dit gebied en het zal volgens ingewijden in Lagos opnieuw blijken uit een nieuw en grootschaliger onderzoek dat nu wordt gedaan onder de supervisie van het Nederlandse bedrijf Euroconsult.

Het zicht over de felgroene rimboe onder ons, afgewisseld door cassave-, yam- en bananencultures, wijst in eenzelfde richting. Natuurlijk zijn er milieuproblemen in Ogoniland. Shell erkent dat en het is ook zichtbaar als we laag over de vijf 'flowstations' (waarin gas en olie van elkaar worden gescheiden) in het gebied vliegen. Sinds Shell zich in 1993 wegens het groeiende geweld uit Ogoniland moest terugtrekken, zijn deze stations kaalgeplukt en/of verwoest, wat vaak ook nog gepaard ging met het op grote schaal weglekken van olie in de omringende bodem.

Zo wordt het verwoeste Bomu-flowstation nog steeds omringd door een ranzig oliemoeras en hetzelfde geldt voor het Ebubu-station al dateert de oilspill daar nog uit de burgeroorlog in de jaren zestig. Maar in totaal beslaan de grootste oilspills een oppervlak van hoogstens tien hectare en dat levert in een gebied van 100.000 hectare geen 'totale vernietiging' op, ook niet als rekening wordt gehouden met minder zichtbare schade. Een reden voor de beperkter dan verwachte milieuverwoesting is ook dat de olie die in de Niger-delta wordt gewonnen zeer licht is en meestal na een halfjaar is verdampt.

Intussen blijft landen in Ogoniland verboden door de militaire autoriteiten. De vijandigheid jegens de Shell Petroleum Development Company of Nigeria (SPDC) was al groot toen het concern het gebied in 1993 verliet na aanvallen van de MOSOP (Movement for the Survival of the Ogoni-People) op Shells installaties en personeel. De grote frustratie van de Ogoni's was en is dat 'hun' olie zo zichtbaar uit het gebied werd gepompt en weggevoerd, terwijl ze er nauwelijks van profiteerden.

De verhoudingen zijn verder verslechterd sinds het militaire Nigeriaanse regime van generaal Abacha MOSOP-leider Ken Saro-Wiwo samen met acht medeactivisten na een showproces liet opknopen. Zondag is dat precies een jaar geleden en de al forse repressie in Ogoni is in de aanloop naar die eerste verjaardag verder opgevoerd. Vorige maand werd de militaire aanwezigheid in het gebied verder versterkt en werden er ook nog eens enkele honderden leden van de State Security Service gestationeerd. De vele controleposten naar en in Ogoniland blokkeren feitelijk de toegang voor buitenstaanders en maken het gebied voor openlijke sympathisanten, laat staan activisten, van de MOSOP gevaarlijk.

Formeel is de MOSOP nooit verboden. Maar lijsten van MOSOP-aanhangers zijn volgens een gezaghebbende maar anonieme academicus in het naburige Port Harcourt door de veiligheidsdienst verspreid in alle dorpen. Wie wordt gepakt wordt mishandeld en de duur van de gevangenschap is vervolgens sterk afhankelijk van het aantal nairas (de Nigeriaanse munteenheid red.) dat het slachtoffer weet te bieden. De MOSOP verspreidt op haar beurt lijsten met enkele tientallen leden die zijn gedetineerd of gevlucht in de rimboe. Aan de vooravond van de eerste verjaardag van Saro-Wiwa's executie zijn samenscholingen van meer dan tien personen verboden. Dat geldt, aldus de MOSOP, ook voor kerkdiensten en begrafenissen. Verder is zelfs het dragen van zwarte rouwkleding in de ban gedaan omdat dit na Saro-Wiwa's executie langdurig gebeurde en nu door de militaire autoriteiten wordt gezien als een daad van protest.

De MOSOP werd in 1990 door de schrijver-zakenman-politicus Ken Saro-Wiwa en andere Ogoni-leiders opgericht uit protest tegen de oliewinning van Shell in het gebied, de milieuverontreiniging en de verwaarlozing van de verarmde bevolking door de overheid. Langzaam aan groeide er een splitsing tussen meer traditionele MOSOP-leiders en de radicale MOSOP-jongeren, geleid door Saro-Wiwa. Hoewel die zwoer bij geweldloze actie had hij zijn opgezweepte jeugdige aanhang steeds minder in de hand, wat in mei 1994 leidde tot de moord op vier traditionele Ogoni-leiders en de arrestatie van Saro-Wiwa met alle fatale gevolgen vandien. Nu proberen de militaire autoriteiten de vervolgde MOSOP verder in de hoek te dringen door nieuwe organisaties te stimuleren die wel vrijheid van organisatie en overheidssteun krijgen, zoals 'de Vredesbeweging in Ogoni-land' en de 'Patriottische Ogoni-jeugd'.

“Verachtelijke initiatieven zijn dat en bovendien kansloos want onze MOSOP blijft intens populair”, verzekert MOSOP-voorman Ledum Mitee in zijn kantoortje in West-Londen. Hij stond vorig jaar samen met Saro-Wiwa en andere Ogoni-leiders in Port Harcourt terecht, maar werd uiteindelijk vrijgesproken en ontsnapte zo aan de galg. Nadien werd hij zo sterk geïntimideerd en zo vaak gearresteerd dat hij eerder dit jaar uitweek naar Londen en daar nu resideert als 'acting-president' van de MOSOP. Zijn haat jegens Shell blijft onverminderd groot. En het verweer van het olieconcern dat het in feite verantwoordelijk wordt gesteld voor het falen van de Nigeriaanse regering (waaraan het 80 procent van de olieopbrengsten in de vorm van royalties betaalt), verwerpt hij. “Shell en de militairen zijn twee handen op één buik”. Ook Shells recente verzoeningsinitiatief, waarbij volgens directeur Anderson van Shell Nigeria in overleg met alle Ogoni-gemeenschappen de vicieuze cirkel van geweld en voortdurende wederzijdse beschuldigingen moet worden doorbroken en waarbij een intensievere aanpak van de Ogoni-problemen wordt beloofd, wijst Mitee zonder meer af. “Shell komt nu naar ons als de good guy”, sneert hij, “maar tegelijk worden wij ondergronds gedrongen. Eerst moeten de obstakels voor een serieuze dialoog worden weggenomen en dat zijn de repressie en de verdeel- en heerspolitiek van Shell in Ogoniland.”

Maar in het Shell-kantoor in Port Harcourt verzucht manager 'gemeenschapsrelaties' Victor Tania: “Hoe kunnen wij dat in 's hemelsnaam doen. Zij overvragen ons. Wij zijn toch geen staat in de staat. Wij willen dat ook niet worden. Stel je voor dat Amerikaanse bedrijven in Engeland onder druk van de Amerikaanse publieke opinie de Engelse regering onder druk zouden zetten om concessies te doen inzake kNoord-Ierland. Dat kan toch helemaal niet”.

    • Ferry Versteeg