Van oude en nieuwe goden

Een paar weken geleden stond in de Volkskrant een verslag van een bijeenkomst van new-agers, zenboeddhisten en andere gelovigen, die op zoek zijn naar een nieuwe spiritualiteit. Een van de deelnemers vertelde dat zij het geloof van haar jeugd, het katholicisme, had verlaten toen zij na afloop van een mis had gezien hoe de priester het glas wijn, voorstellende het bloed van Christus, in één genietende teug naar binnen had geklokt.

Een katholiek opgevoede vriend, aan wie ik dit vertelde, reageerde met herkenning. Zelf was hij in de Sint Bavo getuige geweest van een samenkomst van priesters, die onder het genot van een sigaar en een stuk cake, aan het pimpelen waren om te beslissen welke wijn dat jaar als de miswijn moest worden aangeschaft. Ook mijn vriend is toen van zijn geloof gevallen, maar de behoefte aan spirituele vervanging heeft zich nadien niet bij hem voorgedaan.

In de Abel Herzberg-lezing heeft Marcel Möring zijn afkeer uitgesproken voor allerlei uitingen van moderne religiositeit. Hij kan er niet bij dat iemand bereid is 'biologisch-dynamisch geteeld maïsmeel van de Hopi-idianen in vier richtingen te blazen om daarna een dag in een zweethut door te brengen'. Ook ziet Möring weinig in de new age-beweging en de Groninger die zich in zijn stolpboerderij tot het boeddhisme bekeert, kan evenmin op zijn goedkeuring rekenen.

De moderne mens roept niet meer nederig bij God om hulp, maar hij is volgens Möring ontaard in een wezen dat geluk eist. In plaats van zich over te geven aan een potpourri van halfverteerde en slecht begrepen religies, zou de mens er goed aan doen eerst zijn persoonlijke achtergrond volledig te onderzoeken.

Bij Möring heeft dat zelfonderzoek geleid tot de conclusie dat hij iemand is 'die wil dat God bestaat, maar die niet in God gelooft'. Daarom respecteert hij zoveel mogelijk de joodse spijswetten en zegt hij elke ochtend de rituele zegeningen over het brood en doet hij het handenwassen. “Ik vind het essentieel”, zegt Möring, “om elke dag het wonder van het brood te beseffen. En tegelijkertijd heb ik geen notie van God en ben ik geen gelovige. Mij rest alleen nog de plicht, de mitswe. Ik bezit de hardnekkigheid van mijn voorvaderen, die God ook aanriepen als hij nergens leek te zijn, maar ik mis hun overtuiging.”

In dat opzicht denkt Möring zoals sommige joden die, hoewel niet gelovig, toch hun zonen laten besnijden. De tegenwerping dat de besnijdenis slechts een pijnlijk ritueel is dat geen enkel praktisch doel dient, maakt op hen weinig indruk. Zelfs als je zou kunnen aantonen dat de besnijdenis de vatbaarheid voor infecties eerder vergroot zou dat weinig indruk maken. De persoonlijke achtergrond is onderzocht en men heeft besloten niet het geloof maar wel de tradities en de rituelen van de voorvaderen in ere te houden.

Möring wil een serieus en ernstig geloof. Eigenlijk zou het hoogst denkbare ook in de werkelijkheid moeten bestaan. Uiteraard is dat een geloof van het lijden, al is het geen christelijk lijden. Als Möring al die new-agers ziet die in hun met dekens afgedekte wigwam het Hopi-ritueel aan het uitzweten zijn, begint hij zelfs te verlangen naar 'een bevindelijke Groningse gereformeerde'. Met andere woorden: als Groninger mag je volgens Möring wel bevindelijk gereformeerd zijn, maar vooral niet boeddhistisch.

Lucas van der Land heeft wel eens gezegd dat het verschil tussen een geloof en een bijgeloof zit in het maatschappelijk succes. Het is een kwestie van kwantiteit. Hoe meer gelovigen hoe meer het bijgeloof op een echt geloof begint te lijken, maar inhoudelijk is er tussen een geloof en een bijgeloof tenslotte geen echt verschil.

Vanuit dat standpunt bezien, lijkt de Marcel Möring, die elke morgen de rituele zegeningen zegt en de handwassing doet nog het meest op de paragnost die ik laatst op de televisie zag. Deze paragnost, voorzitter van de officiële Nederlandse paragnostenvereniging, beklaagde zich erover dat er zoveel beunhazen op zijn terrein opereren. Wendt u tot de erkende paragnost, zo betoogde hij, en gij zult niet worden opgelicht.

Als iemand die niet in God gelooft en die ook niet in God wil geloven, heb ik de joodse spijswetten altijd vermakelijke lectuur gevonden. Als je de thora erop naslaat, dan lijkt wat je leest soms verdacht veel op het maïsblazen van de Hopi-indianen. Zo geeft Jaweh in zijn gesprek met Mozes en Aaron heel nauwkeurig de regels van de orthopraxis aan.

Niet alleen mag men niets eten wat zich op gespleten hoeven voortbeweegt - je had toen kennelijk nog de gekke-varkensziekte - maar ook de klipdas behoort tot het verboden voedsel. Daarentegen mag alles gegeten worden wat vin en schubben heeft, maar geen paling. Van wat vliegende door de lucht gaat, dient wat het nuttige betreft dit afschuwelijk te zijn: de adelaar, de lammergier, de baardgier, de kiekendief, elke raaf en wouw naar zijn eigen soort, de steenuil, de koekoek, de oehoe, de hop, de vleermuis en nog veel meer. Verboden zijn verder: de gekko, de nachthagedis en de hazelworm. Wel te eten is alles 'dat onderpoten heeft boven zijn voeten om ermee te hippen op het land', zoals de sprinkhaan en de chagaav.

Dieren spelen trouwens een belangrijke rol in de rituelen van de thora. Ongestelde vrouwen zijn uiteraard onrein, maar wanneer de zuiveringsdagen vol zijn, kan zij een eenjarig schaap laten komen, of 'tot zondegave' een duivenjong. Dat moet dan wel gebeuren met het gezicht naar de opening van de tent, in de tegenwoordigheid van een priester.

De voorschriften nemen tientallen pagina's in beslag en het is duidelijk dat hier geen oppervlakkigheid past. Je doet het goed of je doet het niet. Misschien kan mevrouw Möring, als zij ongesteld is, bij de buren de tent van de Hopi-indianen lenen.

    • Max Pam