Valiezen vol Italië; De souvenirs van achttiende-eeuwse Britse Grandtouristen

De welgestelde Britten die in de achttiende eeuw terugkeerden van hun lange rondreis door Italië, brachten kisten vol tastbare herinneringen aan hun Grand Tour mee: schilderijen, vazen, beelden en kurkmodellen van ruïnes. Uit die schatten stelde de Tate Gallery in Londen een tentoonstelling samen. Met schilderijen van triomfbogen, maar ook spontane schetsen van “een omgevallen koets en een macaronifabriek op Sicilië.”

Grand Tour. The Lure of Italy in the Eighteenth Century. In de Tate Gallery Londen. Tot 5 januari. Van 5 februari tot 7 april 1997 in het Palazzo delle Esposizioni in Rome. Catalogus ¢8 25

Er is werkelijk geen plek in de wereld waar een man kan reizen met 'greater Pleasure and Advantage' dan in Italië, stelde de Engelse essayist en dichter Joseph Addison in zijn boek Remarks on Several Parts of Italy uit 1705. En, hoewel hij later bekritiseerd werd omdat hij uitsluitend gekeken zou hebben door de ogen van de oude Romeinse dichters, hij had wel gelijk. Het moet op de Italiaanse wegen hebben gewemeld van de reizigers. Niet alleen van kooplieden, pelgrims, marskramers en studenten, maar ook van Europeanen die niet zo zeer beroeps- of geloofshalve naar Italië waren gekomen, maar vooral ter afronding van hun studie en als opmaat tot een reguliere maatschappelijke loopbaan. Voor hen was dit rondreizen in de eerste plaats 'plezier' maar ook 'om de wereld te leren kennen'. Om internationale contacten op te doen, om kennis te nemen van muziek, beeldende kunst en theater en om de klassieke plaatsen te bezoeken en de Griekse en Romeinse kunst, of wat daarvoor doorging, te bewonderen. Aan dit soort reizen, aan de Grand Tour, wijdt de Tate Gallery in Londen een omvangrijke expositie.

De Grand Tour was een Europees verschijnsel waarvan de wortels liggen in de zestiende eeuw. Toen trokken al jongelieden van adel en uit de gegoede burgerij naar de culturele centra van Europa, naar de plekken van kunst, wetenschap en een waardevol verleden. Voor de Engelsen liep het traject langs de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden, via Frankrijk naar Italië, het hoofddoel. Daar bezocht men de vier belangrijke steden Venetië, Florence, Rome en Napels. Scandinavië, Duitsland en Spanje werden nauwelijks bezocht. Het Grandtourisme kon zich vanaf het begin van de achttiende eeuw volledig ontwikkelen, toen er in Europa een aantal oorlogen beëindigd was en het reizen relatief veilig kon plaats vinden. Om dezelfde reden kwam er ook weer een eind aan door Napoleons invasie in Italië in 1796.

De tentoonstelling in Londen concentreert zich met zijn 250 schilderijen, prenten, tekeningen, marmeren en bronzen beelden, gemmen, kurkmodellen, miniatuurmozaïeken en waaiers op de Engelse Grand Tour in de achttiende eeuw en wel uitsluitend op de reis naar Italië. Maar dat alleen al is voldoende voor een indrukwekkende opstelling. De tentoonstelling begint met de geïdealiseerde beelden van Italië die de ontwikkelde Engelsman in de zeventiende eeuw gezien kan hebben. Uitgestrekte idyllische landschappen van classicistische Franse schilders als Lorrain en Poussin en van de Italiaan Salvator Rosa. Een gouden zonlicht daalt op de bossen en velden, herders en vissers leven er in een vredige stemming onder een blauwe of hoogstens licht bewolkte lucht. Wat wil de mens nog meer. Van iets later dateren de gedetailleerde Venetiaanse stadsgezichten van Canaletto.

Pompeï

Na deze 'dreaming of Italy' genoemde afdeling volgt een hoofdstuk over de reizigers zelf. Daar hangen de portretten van de Grandtouristen. Elegante jongemannen, dromerig, afgebeeld met op de achtergrond een van de beroemde Romeinse bouwwerken, het Colosseum, het Forum Romanum, of met de Laocoöngroep of een Etruskische vaas. Andere afdelingen behandelen de praktische kanten van de reis. Daar liggen de reisgidsen en kaarten en hangen afbeeldingen van koetsen en schuiten en ziet men de toerist zich buigen over kaarten of lezend in zijn logement. Er volgen afdelingen over de afzonderlijk plaatsen waarop de reizigers zich richtten, de excursies die ze vandaaruit maakten (vanuit Rome naar Tivoli en de Via Appia, vanuit Napels naar Paestum, Pompeï en de Vesuvius), de feesten die ze bijwoonden (het carnaval en de regatta's in Venetië, gekostumeerde optochten, vuurwerk boven de Tiber), de antiquiteiten die ze verwierven en de afbeeldingen van Italië die ze mee terugnamen om de herinneringen aan Italië thuis levend te houden. Als ze tenminste weer naar huis gingen. Velen, de meest welgestelden, bleven jaren weg of keerden helemaal niet meer terug.

De achttiende eeuw was werkelijk de eeuw van de Grand Tour. De ontdekking van Herculaneum en Pompeï in respectievelijk 1738 en 1748, de publicatie van Winckelmanns Geschichte der Kunst des Altertums in 1764, de vele gepubliceerde verslagen van reizen naar Italië, de massale stroom schilderijen en kunstvoorwerpen die uit Italië naar Engeland vervoerd werd, verhoogden de belangstelling voor en het verlangen naar dat idyllische land alleen maar.

De belangstelling gold niet in de eerste plaats de kunst van de renaissance, maar eerder die van de klassieke oudheid. Italië was een onuitputtelijk museum en Rome had de grootste concentratie bezienswaardigheden. Behalve de ruïnes van het oude Rome was daar de reusachtige kunstcollectie van het Vaticaan en nog talrijke privéverzamelingen. Slechts enkelen trokken door, via Napels naar het zuiden. Het gold daar als gevaarlijk wegens de struikrovers en er bestond een groot gebrek aan accomodatie. Men bezocht Sicilië met zijn Griekse tempels in Segesta en bij Agrigentum en men beklom de Etna.

Al die Italiëgangers uit de Europese landen hebben een Grand Tourindustrie veroorzaakt. De jongelieden moesten begeleid worden en daarvoor waren gidsen nodig. Doorgewinterde Engelse 'tutors', spottend berenleiders genoemd, begeleidden jaar in jaar uit de Engelse jongeheertjes en in mindere mate jongedames en hen wezen op alle kunstzinnigheden, controleerden hun financiën waakten over hun veiligheid. Ter plekke stonden weer gespecialiseerde gidsen paraat die een specifieke kennis van de omgeving hadden. Al deze reizigers moesten vervoer hebben, koetsen, paarden, muilezels, ze moesten eten, drinken en overnachten en uiteindelijk wilden ze ook terugkeren met materiële herinneringen aan hun reis.

In Rome hadden enkele schilders zich op het portret van de Grandtourist gespecialiseerd, zoals Pompeo Batoni van wie enkele portretten op de tentoonstelling hangen. Andere schilders produceerden massaal stadgezichten. Canaletto in Venetië, Piranesi met zijn hallucinerende prenten in Rome. De prenthandelaren verdienden aan de vele topografische gezichten op de klassieke lokaties. Ook ontwikkelde zich een bloeiend archeologisch toerisme. Gewiekste gidsen brachten de reizigers naar plekken waar gegraven kon worden. Handelaren boden opgedolven beelden, keramiek en munten aan en er ontstond een omvangrijke restauratie- en niet te vergeten vervalsingsindustrie. Hoeveel jongelieden hebben zich niet een fake-vaas aan laten smeren? Aan het eind van de eeuw omschreef een reiziger dit als het wonderlijk systeem van bedrog en schurkerij waaraan 'poor John Bull' in Italië elk uur van de dag blootstaat. Rome was bijna ontdaan, zo ging hij voort, van al zijn oude relicten, vandaar dat er werkplaatsen ontstonden die zich toelegden op het maken van dergelijke rommel ('such rubbish') waarnaar de halve Engelse natie ieder jaar in Italië op zoek ging.

Hardloopwedstrijd

Het valt niet aan te nemen dat al deze reizigers studieuze types waren die in aanbidding lagen voor de 'edle Einfalt, stille Grosse', zoals Winckelmann de Griekse kunst karakteriseerde. Tallozen hebben obligaat de gebaande wegen bereisd en misschien nog wel trouwhartig opgeschreven wat ze geacht werden gezien te hebben. Dat als een bewijs van goed gedrag voor hun oude heer, die per slot van rekening de hele trip financierde. En talloos zijn de waarschuwingen tegen de slechte gewoontes die de jonge reiziger zich in het toch wel als licht verderfelijk te boek staande Italië zouden kunnen aanmeten. In 1751 merkte een actief reizigster, Lady Mary Wortley Montagu, bits op dat de jongens op hun Grand Tour zich slechts herinneren 'where they met with the best Wine or the prettyest Women' terwijl hun begeleiders alleen maar letten op omstandigheden en afstanden, of op zijn best standbeelden en gebouwen. Van twee Britse broers die in 1764 de Uffizi bezochten is bekend dat hun bij de aanblik van de lange schilderijengalerij de moed in de schoenen zonk en ze maar besloten tot een hardloopwedstrijd door de galerij. Er werd ook de spot met de Grand Tourreiziger gedreven. Enkele schilders legden zich zelfs toe op satirische schilderijen waarop de Noordeuropese connoisseurs zijn voorgesteld als een stelletje benevelde zwetsers temidden van de oude kunst.

De tentoonstelling in de Tate Galley wordt gedomineerd door schilderijen: de portretten van de reizigers, alleen of en groupe, landschappen, gezichten op Rome en op de andere steden. Een zekere routinematigheid valt niet te ontkennen: de schilders wisten wat de markt vroeg en handelden daarnaar. Teveel Canaletto, teveel triomfbogen en tempels, teveel Tivoli en Vesuvius in uitgewogen composities is ook niet goed. De tekeningen, soms ter plekke gemaakt, zijn spontaner en laten veel meer zien van de dagelijkse gang van zaken op zo'n reis. Een omgevallen koets, een macaronifabriek op Sicilië (door Louis Ducros aan wie het Rijksprentenkabinet een paar jaar geleden een tentoonstelling heeft gewijd).

Een enkeling onttrok zich aan die conventies. Zo iemand was John Robert Cozens, met zijn subtiele aquarellen van de klassieke gebouwen in Rome. Nog meer verrast Thomas Jones, een schilder uit Wales, die van 1776 tot 1783 in Rome en Napels woonde en die vergeefs probeerde de kost te verdienen met grootschalige conventionele landschappen. Maar zijn hart lag eerder bij de olieverfschets naar het leven. Dit schilderen in de open lucht en zijn ongewone onderwerpen en composities, maken hem, hoewel maar met een paar werken vertegenwoordigd, tot de meest opmerkelijke schilder van de hele tentoonstelling. Jones keek gewoon uit het raam van zijn huurkamer in Napels en bestudeerde het uitzicht: een dak met wat begroeiing, nog meer daken, een koepel en daarboven een helblauwe lucht. Kleine werken van een ongelofelijke preciese frisheid. Een ander schilderij van Jones is een zeldzame weergave van een opgraving in Rome. Andere ongewone composities, maar al 'moderner', impressionistischer geschilderd vallen te zien bij de schilder Pierre-Henri de Valenciennes. Zijn werk is nog 'gewoner': een dak met schoorstenen, wat palen waar tussen waslijnen met wasgoed. Belangstelling voor dit werk bestond er tijdens hun leven niet.

Voor zover deze Britse heren terugkeerden lieten ze kisten en valiezen vol herinneringen meesturen: schilderijen, boeken, prenten, vazen, beelden en kurkmodellen van ruïnes. In hun huizen omringden ze zich met deze schatten, zodat in heel Engeland tientallen uitgelezen privémusea ontstonden, waarvan een groot aantal nog bestaat. In 1732 werd de Society of Dilettanti opgericht, waar de Grandtourveteranen, ongeacht hun politieke voorkeur en sociale rang tezamen kwamen en herinneringen konden ophalen. Met de prentenboeken op tafel en het wijnglas in de hand herleefde op hun bijeenkomsten de jaren, die een zonnige culturele rite de passage was geweest.

    • Roelof van Gelder