Tehuiskind vindt lieve pleegouders

Rindert Kromhout: Het konijnenplan. Illustraties Annemarie van Haeringen, Uitgeverij Leopold. Vanaf 10 jaar. 136 blz. ƒ 27,50

In een kindertehuis wonen is naar, een directrice van een kindertehuis doet streng, bewoners van villa's rond een kindertehuis zijn verwaand en pleegouders slijmen. In het laatste kinderboek van Rindert Kromhout, Het konijnenplan, is alles naar verwachting. Natuurlijk zijn de hoofdpersonen Edward en Thomas omringd door pestjongens, zielige dikke meisjes en chagrijnige leidsters en verzinnen zij van alles om te kunnen ontsnappen. Als Thomas' echte vader opeens opduikt met de armen volgeladen met dure cadeaus, is dat allicht van korte duur. En het aardige echtpaar Paul en Mieke, dat zegt alleen Edwards vrienden te willen zijn, ontfermt zich tenslotte toch over hem.

Het konijnenplan is Kromhouts vijftigste boek, sinds hij in 1980 debuteerde. Zijn werk is toegankelijk en pretentieloos, maar maakt af en toe de indruk wat al te vlot geschreven te zijn. Niet zozeer wat de stijl betreft - Kromhout kiest onveranderlijk voor eenvoudige, heldere zinnen - maar wel waar het de inhoud en de opbouw aangaat. Het is alsof hij zich wat al te gemakkelijk laat meevoeren in een vast stramien. Dat geldt met name voor zijn 'realistische' literatuur, zoals de bekende boeken over de belevenissen van het meisje Merel, en veel minder voor de sprookjesachtige verhalen, waarvan hij de beste in samenwerking met illustrator Jan Jutte maakte. Een vindingrijk boek als De paljas en de vuurvreter (1993) is opgebouwd als een commedia dell'arte-toneelstuk. In drie 'bedrijven' is steeds een andere verteller aan het woord, zonder dat dat ook maar een moment geforceerd overkomt. In Rare vogels (1995) reist een groep toneelspelers, bestaande uit onder andere een kip, een varken en een bulldog, van dorp naar dorp met hun stuk over de dood van een schone maagd. In dit soort boeken is Kromhout op zijn best, want hij heeft een rijke en geestige verbeelding.

In Het konijnenplan is daarvoor helaas maar weinig ruimte. Het boek is rechttoe-rechtaan geschreven en komt je vanaf de eerste zin ('Een bed kraakte in de donkere jongensslaapzaal') bekend voor. Voor kinderen zal die herkenbaarheid misschien wat minder een probleem zijn, want je kunt je hier natuurlijk lekker door laten meeslepen, maar op mij maakt het een gemakzuchtige indruk. Dat komt ook door de af en toe wat houterige, ouderwets aandoende beschrijvingen: 'Met een paar tikken tegen de tralies wekte hij de zwartwit gevlekte Robbie. Of sliep het dier helemaal niet? Had het allang aangevoeld dat er iets geweldigs ging gebeuren vannacht?' Een ander nadeel is dat voor de humoristische illustraties van Annemarie van Haeringen zo weinig plaats is ingeruimd dat je ze bijna over het hoofd ziet.

Edward en Thomas willen zoveel konijnen fokken dat ze dankzij de verkoop rijk genoeg worden om het tehuis te verlaten. Het mislukt, maar de jongens zijn onvermoeibaar in het verzinnen van nieuwe plannen. Vooral Edward, die weinig uitzicht heeft op verlossing, want zijn moeder heeft zich doodgedronken en zijn vader is een onbekende. Voor pleegouders koestert hij een diep wantrouwen, want om zich heen ziet hij dat kinderen maar al te vaak na een tijdje proberen weer terug naar het tehuis worden gebracht. De liefde van pleegouders is per definitie maar schijn, alleen echte ouders blijven hun kinderen soms trouw. En wie zou er bovendien zo gek zijn om een bedplasser als hij op te nemen?

In de beschrijvingen van Edwards gedachtenwereld ontkomt Kromhout af en toe aan de voorspelbaarheid. Het zijn de meest originele passages van het boek: 'Wat een ontdekking! Hoe minder poten een sprinkhaan had, hoe sneller hij was. (...) Iedereen die dieren met een poot eraf zielig vond, zou voortaan uitgelachen worden omdat hij, Edward Peters, had ontdekt dat dat juist goed voor die dieren was. Kijk bijvoorbeeld naar slangen. Die hebben nul poten en moet je eens zien hoe vlug die kunnen zijn...'

Naast het uittrekken van sprinkhanenpoten treitert Edward af en toe andere kinderen. Dikke Ida, een op het eerste gezicht wat achterlijk kind, moet snoep voor hem pikken uit de supermarkt. Meestal is hij aardig voor haar, maar als ze te dichtbij komt krijgt ze een hardhandige duw en een snauw. En als er nieuwe schommels op het terrein van het tehuis geplaatst worden, mag niemand anders erop, tenzij ze hem betalen. Dankzij dit soort nuances ontkomt Kromhout ternauwernood aan een te grote braafheid, maar voor het geheel heeft het verder weinig consequenties. Het gegeven waaromheen Het konijnenplan geschreven is, - tehuiskind vindt lieve pleegouders -, is nou eenmaal uitgekauwd en over het algemeen genomen weinig origineel uitgewerkt.

    • Judith Eiselin