Rijst

De jongen logeert met z'n ouders in een Frans dorp. Hij verveelt zich te pletter. Het hotel ligt aan een rivier en het heeft een grote tuin, maar wat moet hij hier in vredesnaam doen? Pas over een week komen de vrienden van z'n ouders met hun twee zoons. Met hen kan hij ravotten, maar nu duren de dagen zo lang.

Z'n ouders willen vandaag lezen in de tuin. Als z'n moeder ziet dat hij wat bij een boom lummelt, vraagt ze waarom hij het dorp niet eens ingaat. Daar is vast wel iets te beleven.

Hij vertrekt meteen. Anders mag hij nooit alleen op pad. Vandaag zijn z'n ouders te lui om met hem mee te gaan. Als iemand hem nu maar niet de weg vraagt. In het Frans kan hij niets terugzeggen. Wat is die toren hoog. Hij blijft naar het puntje kijken tot hij het niet meer kan zien en loopt door de openstaande deuren de kerk in.

Het licht valt door gebrandschilderde ramen naar binnen. Stofjes dwarrelen in de stralen. Er hangen sombere schilderijen aan de muur: dikke engeltjes, mannen met baarden, een vrouw met neergeslagen ogen heeft een kind op schoot.

Waarom kijken mensen soms toch zo lang naar een schilderij? Het verandert nooit en je hebt het in een paar seconden gezien. Hier kijkt niemand. Hij is alleen in de kerk en wil al weer naar buiten lopen. Dan ziet hij een geheimzinnige gang. Die gaat hij in. Het is er kil en dat voelt zo lekker angstig aan z'n hals. Aan het eind slaat hij een hoek om. Hij staat in een grote zaal.

Wat ziet die er gek uit. Hij is helemaal leeg en heeft geen rechte, maar stompe hoeken. Achter hem hoort hij z'n eigen taal. Even later komt een Nederlands echtpaar binnen. De jongen zegt niets. Dan denken ze vast dat hij een Fransman is.

De man gaat in de ene stompe hoek staan, de vrouw in de andere. Ze beginnen zacht tegen elkaar te praten en toch kunnen ze elkaar verstaan. De vrouw is heel verbaasd en nu verklapt de man het geheim van de zaal. Het komt door die rare hoeken. Die weerkaatsen je stem zo ver. Vroeger sprak een priester op zo'n afstand met iemand die melaats was. Dan kon hij het zelf niet worden.

De jongen gaat vlug de zaal uit. Misschien is daar nog wel iets van die ziekte blijven hangen. Hoort hij het geluid van een stofzuiger? Ja, daar staat een priester met de slang in z'n hand de vloer schoon te maken. Moet dat niet met een bezem gebeuren? Het hoort hier niet, zo'n nieuw apparaat in een oude kerk.

Vlak voor de deuren, tot ver op de middenweg, ziet hij allemaal rijstkorrels liggen. Niet een paar, wel honderden. Waarom heeft hij die toen hij naar binnenging niet gezien? Wegfladderende en weer terugvliegende duiven doen zich aan het voedsel te goed. Zou die stofzuigende priester de rijst elke dag voor de vogels neerstrooien?

In de verte ziet hij een paar andere torens. De rijst is nog niet uit z'n gedachten verdwenen. En dan ziet hij de rijst weer in het echt. Voor de tweede kerk liggen minstens zo veel korrels. De duiven vliegen af en aan.

Het wordt heel licht in z'n hoofd, hij heeft iets ontdekt. In Frankrijk worden de duiven door priesters gevoerd. En bij de derde kerk gaat een veld van speldenprikjes over z'n rug, 't is niet waar wat hij net heeft verzonnen, hij ziet het nu zelf.

Een bruid in het wit en een bruidegom in het zwart komen uit de kerk. Wat zien ze er mooi uit. Ze lopen naar een met paarden bespannen koets. De gasten en familieleden staan op een afstand vriendelijk te lachen en gooien rijstkorrels naar hen toe. Wat blijven die grappig zitten op het zwarte pak, op het lichtrode haar van de bruid.

Het bruidspaar zwaait, de paarden komen in beweging, de jongen rent naar het hotel. En hij weet niet meer wat hij het eerst moet vertellen, dat ze ook in kerken stofzuigen, dat iemand die melaats was wel twintig meter van de priester af stond of dat de duiven hier elke bruiloft meevieren.