Proper en boertig surrealisme; De verzameling Magrittes van Louis Scutenaire

De Belgische dichter Louis Scutenaire verzamelde kunst van vrienden. Een van die vrienden was René Magritte. Scutenaires verzameling is nu geschonken aan het Museum voor moderne kunst in Brussel. “Dit werk is niet zomaar vreugdevol. Het schijt levensvreugde.”

Het bekoorlijke is mooi (Irène, Scutenaire, Magritte and Co), het legaat Scutenaire-Hamoir. Museum voor Moderne Kunst, Koningsplein 1-2, Brussel. T/m 15 dec. Di t/m zo 10-17u. Catalogus 1350 Bfr.

Scut noemden ze hem, de Brusselse dichter Louis Scutenaire (1905-1987). Hij woonde samen met zijn vrouw, de schrijfster Irène Hamoir, in de Brusselse deelgemeente Schaarbeek en iedereen was er welkom; kunstenaars vooral, onder wie amateurs, naïeve autodidacten en surrealisten. Over het echtpaar Scutenaire-Hamoir en hun vrienden is door het Brusselse Museum voor Moderne Kunst een boek samengesteld. Aanleiding hiervoor is de officiële registratie van het legaat Scutenaire-Hamoir, dat in 1994 - met het overlijden van Irène Hamoir - aan het museum was toegekend. Aan dat legaat wordt nu een tentoonstelling gewijd.

254 nummers mocht het museum aan zijn inventaris toevoegen, allemaal kunstwerken gemaakt door mensen uit de omgeving van de Scutenaires, intimi of vluchtige kennissen. Dat klinkt gezellig en er zou ook niets bijzonders aan zijn, als een van de beste vrienden niet René Magritte heette. Zo'n honderd nummers staan op zijn naam: 23 schilderijen, 22 gouaches, 42 tekeningen, een beschilderde fles, een sculptuur, wat grafiek en zelfs enkele tapijten naar zijn ontwerp. Daardoor beschikt het Brusselse museum nu over de grootste Magritte-verzameling ter wereld.

Een echte kunstverzamelaar was Louis Scutenaire niet. 'Scut' kocht kunstwerken om uiteenlopende redenen. Omdat hij ervan hield, omdat de maakster hem beviel, uit sympathie voor een mens die toevallig ook nog schilderde. Zijn collectie houdt dan ook het midden tussen een kunstverzameling en een samenraapsel van biografische relicten.

Curieus

Voor de tentoonstelling heeft dat curieuze gevolgen. Zo hangt hier, afgezien van de indrukwekkende verzameling Magrittes, ook een allegaartje aan werken, voor het merendeel gemaakt door allerlei obscure figuren uit het Brusselse.

Alleen Marcel Mariën en E.L.T. Mesens stijgen er bovenuit, maar die twee zijn maar met één, respectievelijk twee werken vertegenwoordigd.

Het museum is zich van deze merkwaardige gespletenheid bewust. In de zalen worden 'Magritte' en 'co' netjes gescheiden, en in het boek wordt de keuze om ook al die ondermaatse kunst te tonen, verdedigd vanuit de noodzaak om eerlijk te zijn tegenover 'Scut'. Maar kan een museum dit soort eerlijkheid wel opbrengen? Wat aan de muren ten huize van Scutenaire in zijn onnozelheid nog sympathiek was, verbleekt aan museummuren tot een pijnlijke karikatuur. Dat hoef je niet erg te vinden, het is onvermijdelijk. Men had er zelfs beter aan gedaan om het openlijk te accentueren, door af te zien van enige vorm van selectie voor de tentoonstelling en simpelweg alles te tonen. Daarmee had men de absurditeit van deze transactie van huiskamer naar museum eerlijk toegegeven, en nog radicaler zijn eigen verstenende - musealiserende - werking getoond.

'Verzameling'

Ook in het boek Irène, Scut, Magritte and Co is weinig plaats ingeruimd voor dit soort bedenkingen. Had men zich daar niet kunnen afvragen wat bijvoorbeeld de museale status is van deze 'verzameling'? Of hoe je kunt omgaan met die kloof tussen een biografisch en een kunsthistorisch referentiekader? Het boek bevat weliswaar nuttige informatie over heel wat onbekende figuren, die deel uitmaakten van de artistieke kringen rondom het Belgische surrealisme, maar het barst ook van de petites histoires. Wel drie keer lees je dat Scut precies twintig jaar na Magritte stierf - wat hadden die twee toch veel gemeen -, dat Scut van boefjes hield, en dat hij gehecht was aan zijn fauteuil.

Maar voor het ensemble aanwinsten van René Magritte schieten alle superlatieven tekort. Zelfs als je weet wie de kunstenaar is, worden de verwachtingen nog ruimschoots overtroffen. Scutenaire verzamelde niet alleen geschilderde herinneringen: voor krachtig werk dat aansloot bij zijn interessesfeer had hij een scherp oog. Hij was een van de weinigen die Magritte bleven verdedigen, toen de schilder tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn kuise schilderswijze ruilde voor een drassige penseelstreek en zonovergoten, kakelbonte doeken begon te schilderen. Ook toen de schilder in 1948 met de nonchalant bij elkaar geklutste doeken van de 'période vache' uitpakte, bleef Scut zijn advocaat.

Deze onbeleefde Magrittes bepalen mede het belang van dit legaat. Uit 1943 is er bijvoorbeeld De oogst, een liggend vrouwelijk naakt dat alles heeft van een ijslolly: de benen in blauw en oranje, de torso in purper, gezicht en rechterarm in het rood, de linkerarm in het groen. Dit werk is niet zomaar vreugdevol. Het schijt levensvreugde. In de 'vache'-werken maakt dat delirische plattelandssurealisme plaats voor een soort proletarische huis- tuin- en keukenstijl. De klassieke kunstikonen, Venus en co, doopt Magritte in vulgaire Barbie-kleuren en veel decoratieve drukte. Ook hier komen Magrittiaanse 'vreemde combinaties' voor, zoals in het vroegere werk, maar ze hebben niets verhevens of geheimzinnigs meer: ze worden platvloers, als een vette knipoog of een boerse grap.

Er hangen ook plezierige tekeningen van Magritte op deze tentoonstelling. En tot slot, ook het 'beschaafde', het propere surrealisme van de meester komt aan bod, met weerom nauwelijks één zwak moment. De wat prentjesachtige schilderijen van de late Magritte zijn namelijk niet van de partij. Bijna alle schilderijen en gouaches dateren van voor 1950, vier doeken komen uit de vroegste 'surrealistische' periode, de tweede helft jaren twintig.

Scutenaire heeft de beste Magritte-tentoonstelling samengesteld.

    • Dirk Pültau