Popmuziek voor de babyboom; Metafysica van de eeuwige jeugd

Bart Chabot: Broodje gezond. Nijgh & Van Ditmar, 453 blz. ƒ 39,90

Clinton Heylin: A Life in Stolen Moments. Bob Dylan, 1941-1995. Schirmer, 399 blz. ƒ 52,50

Barney Hoskyns: Waiting for the Sun. The story of the Los Angeles music scene. Viking, 365 blz. ƒ 63,-

Jan Koenot: Voorbij de woorden. Essay over rock, cultuur en religie. Ten Have, 216 blz. ƒ 34,90

Met rock and roll kun je niet stijlvol oud worden, zei de Canadese rockster Neil Young in een vraaggesprek halverwege de jaren tachtig, terwijl hij zich een glas vruchtensap inschonk. Daarom was hij overgestapt van heavy metal-gitaargeweld op wat rustiger country-muziek, waarin de lof werd gezongen van gezins- en plattelandsleven. Maar een paar jaar later stond hij alweer te headbangen met zijn oude begeleiders Crazy Horse, in concerten die vooral uitblonken door de hoeveelheden decibellen. Stijlvol oud worden op de klanken van een steelguitar was kennelijk ook niet alles.

Het is de paradox van de popmuziek, inmiddels een halve eeuw oud en nog steeds een baken voor generaties die er vanaf de jaren zestig mee opgroeiden: hoe verantwoordt de veertiger - op het podium of daarvóór - zijn liefde voor een genre dat bij uitstek de boodschap predikt van het 'live fast, die young'?

Het probleem knelt temeer, omdat zulke veertigers dezer dagen in groten getale vijftigers zullen worden. Bob Dylan, Neil Young, Mick Jagger en Herman Brood zijn die grens al gepasseerd, en veel van hun bewonderaars zullen hen, opnieuw, volgen. Vier boeken over popmuziek maken duidelijk dat de verhouding tot dit bij uitstek vluchtige genre niet alleen voor de sterren een probleem is, maar meer nog voor de volgelingen.

Dat probleem wordt vaak gemaskeerd. Herman Brood doet, als ster, niet moeilijk over ouder worden. Hij slaat zich er nog steeds doorheen met een lever ter grootte van een zwemband, twee gram speed en een onbepaalde hoeveelheid alcohol per dag. Terwijl Nederland zich bij de les houdt met Postbus 51-spotjes tegen roken, drinken, pillen slikken en onveilige seks, doet Brood vrolijk of zijn neus bloedt. En niemand die het hem kwalijk neemt, geen burgercomité dat zich keert tegen het voorbeeld dat de die hard rocker de Nederlandse jeugd stelt. Zelfs bij de strengste gezagsdragers en majoor Bosshardt krullen de mondhoeken onwillekeurig omhoog als de zanger-schilder-vrijbuiter zwaaiend met een fles Grand Marnier in beeld komt. Ah, Herman!

Bart Chabot heeft, als fan, die fascinatie goed begrepen. In zijn vuistdikke Broodje Gezond komt van de mythische drieëenheid seks, drugs en rock & roll de laatste er bekaaid af: weinig woorden worden vuil gemaakt aan de rock, de muziek waar het allemaal om begonnen zou zijn. Chabot wilde een boek maken als een rollercoaster: een duizelingwekkende rondreis door leven en brein van Brood. Dat is hem goed gelukt: we volgen de beminnelijke Brood door labyrinten vol verdovende middelen en vriendinnen. Bijna 500 pagina's lang, het resultaat van dagenlange gesprekken, snateren Brood en zijn biograaf honderduit over meisjes, drugs, kinderen krijgen, andere meisjes, nieuwe drugs gebruiken, nog meer meisjes, weer andere drugs - terwijl ondertussen bezoekjes worden gebracht aan bordelen, restaurants en zijn moeder.

Waarom is Herman Brood zo populair? Waarom kan dit rock-n-roll beest èn vader van een dochtertje (de 'verborgen hoofdpersoon van het boek') zich ongestraft, slechts gekleed in colbertjasje en stropdas, 's nachts in taxi's laten rondrijden en boetes wegens zwartrijden in de trein afkopen met tekeningetjes voor de conducteur? Waarom wordt hij op de Albert Cuyp nageroepen door jolige marktkooplui ('Brood, ben je nou nog niet dood?') en omstuwd door dankbare huismoeders?

Waarom, kortom, vertedert 'Herman'?

Omdat Nederland geen helden heeft. Nederland heeft belhamels. Dat geldt ook voor de kunsten, en in het bijzonder voor de popmuziek. Een rock-cultuur zoals in Engeland of Amerika bestaat niet in de burgerlijke, op depolarisatie en consensus geënte Nederlandse samenleving. Bij gebrek daaraan, kon Brood eind jaren zeventig de mythische rocker worden waarmee Nederland zich toch nog volwassen kon voelen in de grote-mensenwereld. Zijn stormachtige succes, de verkwanseling daarvan begin jaren tachtig in mislukte Amerikaanse tournees, zijn volharding en latere herstel en de overexposure in de roddelbladen - daarmee heeft hij zich een plek verworven als de enige publiekslieveling van de vaderlandse rock.

Brood zingt niet de lof van de working class hero - de sociale rebel - maar slechts van het eeuwige vakantiegevoel, zoals in zijn lijflied I'll Never be Clever. Niemand die het hem kwalijk neemt: de rest van ons is namelijk slim genoeg. Dus kunnen we Brood niet alleen tolereren, maar ook fêteren en koesteren als publieke figuur, een rol die in de dichtkunst al decennia toevalt aan Simon Vinkenoog. Voor Brood en voor Vinkenoog geldt: het zijn lieve schelmen, eeuwige jongens, die nog geen vlieg kwaad zouden doen. De kunstzinnige neefjes op de familieverjaardag, waar iedereen zich over verbaast maar niemand zich aan stoort. Voorwaarde is daarbij wel, dat ze in hun rol blijven, en dus niet beginnen te zeuren over sinaasappelsap, de onmogelijkheid om stijlvol oud te worden, of meer van die besognes die zijn voorbehouden aan artiesten in landen waar rock en andere populaire kunsten een serieuze aangelegenheid zijn. Voor zulke ouderdomsklachten is geen plaats in de culturele dépendance van Madame Tussaud, waar iedereen ongevaarlijk wordt maar leuk blijft.

Forever young

Maar daarmee is het vraagstuk nog niet uit de wereld. Het probleem van de oudere ster is per definitie namelijk ook het probleem van de oudere popliefhebber. Was dat immers niet de boodschap van de rock: iederéén is een ster? Toch spelen ster en fan onderscheiden rollen. Hoe moet de fan-op-leeftijd dan zijn trouw aan het forever young betuigen - bij voorkeur zonder de drugs- en alcoholconsumptie van sterren als H. Brood te hoeven bijbenen?

Een aantal strategieën staat ter beschikking. De meest radicale is: de popmuziek afzweren en schuilen in klassieke muziek, opera of gedigitaliseerd modernisme. Een halfslachtige variant op deze uitwijkmanoeuvre is het bagatelliseren van de huidige pop als een voetnoot bij de meesterwerken uit eigen jeugd. Is Oasis geen slap aftreksel van The Beatles? Was Bob Dylans Subterranean Homesick Blues (1965) al niet de beste rapsong aller tijden?

Moeilijker, maar mogelijk is ook de vlucht naar voren: de gymschoenen aan en dapper meehupsen met de jeugd op de dansvloer. Zo lang het nog lukt. Chabots lofzang op de eeuwige jeugd van Herman Brood komt daarbij in de buurt; Brood zelf schijnt intussen de verlokkingen van de hip hop te hebben ontdekt, en weer te dansen.

Ten slotte kan de oudere popfanaat de toevlucht nemen tot een juridische reddingspoging: de bewijslast omkeren en aantonen dat zijn jeugdmuziek in werkelijkheid helemaal geen puberale lofzang was op seks en drugs, maar een volwassen en duurzame ode aan het menselijk leven als totaalervaring - ja, zoals de literatuur, de filosofie, en andere kunstvormen.

De Vlaamse jezuïet en theoloog Jan Koenot (1965) lijkt bij uitstek geëquipeerd om de laatste strategie te vertolken. In zijn curieuze Voorbij de woorden. Essay over rock, cultuur en religie laat hij filosofen, antropologen en esthetici aantreden om te bewijzen dat rock allesbehalve vluchtig en banaal vertier is, maar niets minder dan 'de hunkering naar leven en het protest tegen krachten die het leven verstikken'. In het boek behandelt hij de levenskracht van rock met behulp van grote namen als Nietzsche en Nirvana, Bataille en Bowie, Hölderlin en Hüsker Dü.

Zijn conclusie: in deze muziek zit 'de jubel van het begin, de vreugde van de eerste ademhaling, maar tezelfder tijd ook de revolte tegen systemen die gevangen zetten en beklemmen.' Elders schrijft hij: 'Rock is door en door menselijk en gaat door je heen als een niet-menselijke kracht. Wentelend in de werveling van de muziek kom je tot leven. Voor het eerst? Je ademt en geniet.' En nog eens: 'Rock is JA en NEE: een volmondig, veelzijdig, voluptueus JA tegen de levensstroom die zich door de muzikale trillingen een weg baant naar ons hart; een vurig en niet te doven NEE tegen 'het systeem dat het leven wurgt'.'

Zulk vitalistisch proza doet denken aan de jaren vijftig, aan de 'levensfilosofie' van Teilhard de Chardin, en aan de katholieke pogingen om in het reine te komen met het existentialisme en toch blijmoedig te blijven. Maar in de pop-exegese is dit ouderwetse geluid nieuw. In Amerika heeft Greil Marcus de popkritiek geïntellectualiseerd met zijn Mystery Train (1977), in Nederland hebben we de filosoof René Boomkens die in Kritische Massa. Over massa, moderne ervaring en popcultuur (1994) aan de hand van popmuziek de dialectiek tussen massa en individu analyseerde. In dit gezelschap voegt zich nu Jan Koenot.

Maar niet zonder moeite. Het probleem met zijn vitalisme is namelijk dat het voor zoveel menselijke activiteit te gebruiken is. Vervang 'rock' door 'naturisme', 'autoracen', of 'bidden', en dit boek leest evengoed. Het had over schilderkunst kunnen gaan, over de liefde, of over het Kerstfeest. En misschien nog wel over méér: is het menselijk rechtop-lopen al niet een 'JA en NEE' tegen het leven? Koenots formule is zo multi-functioneel dat hij zinloos wordt. Door te kiezen voor zo'n even ruim als leeg kader slaagt hij er alleen maar om rock respectabel te maken tegen een fatale prijs: zijn boek wordt een preek. Een gedateerde huiskamerpreek, uit de jaren zestig, van een progressieve pastor die de verontruste ouders van teeny-boppers uit zijn congregatie wil geruststellen.

Geen wonder dat Koenot zich ook verkijkt op de moderne jeugdcultuur, waar 'rock' allang niet meer oppermachtig is. De 'popmuziek' van de jaren negentig biedt een overdadige hoeveelheid subgenres, die niet te vangen zijn onder één noemer en zeker niet onder het symbool dat de Brits-Amerikaanse rock heeft grootgemaakt: de elektrische gitaar. De muziek die de jeugdcultuur nu beheerst doet het nagenoeg zonder. 'Dance', de elektronische dansmuziek, is inmiddels uitgewaaierd van gabberhouse tot trance, trip hop en jungle. De hoofdredacteur van het tijdschrift Streven maakt daar weinig woorden aan vuil, behalve één citaat over house, waarin hij alweer de 'hunkering naar een menselijker samenleving' waarneemt. Inderdaad, zoals die ook te herkennen valt in de brochures van Amnesty International, of op de gezichten van passagiers bij een bushalte.

Heeft popmuziek - van rock tot dance - na een halve eeuw eigenlijk nog wel een intellectuele rechtvaardiging nodig? Of geldt hier wat de Duitse filosoof Heidegger opmerkte over de sceptische vraag naar het bestaan van een buitenwereld: het schandaal is niet dat de vraag nog niet is beantwoord, maar dat ze nog steeds wordt gesteld? Voor popmuziek zou kunnen gelden, dat het inmiddels het stadium van de klassieke muziek heeft bereikt, en het hoog tijd wordt de ideologie van het forever young, zoals te vinden in uiteenlopende boeken als die van Chabot en Koenot, te verlaten ten gunste van een afstandelijke en historiografische benadering.

Historiseren

De Britse 'Dylanhead' Clinton Heylin lijkt dat te vinden. Eerder verschenen van hem een biografie over Dylan (Behind the Shades, 1991) en minutieuze monografieën als Behind Closed Doors (1995), een inventarisatie van Dylans studio-sessies. Zo abstract als Koenot, zo overdreven concreet benadert Heylin zijn onderwerp: Bob Dylan uit Hibbing, Minnesota, is voor hem niets minder waard dan William Shakespeare uit Stratford on Avon voor een hoogleraar Engelse literatuur.

Heylins nieuwste boek Stolen Moments overtreft evenwel in detailzucht al het voorgaande. Zo weinig als Chabot rapporteert over de muzikale inspanningen van zijn idool Brood, zo uitputtend doet Heylin dat over Dylan. Dat is ook meteen het bezwaar van dit, desondanks sympathieke, boek. Wie, buiten de sekte van Dylan-completisten, wil er een boek lezen dat louter bestaat uit aantekeningen wat Bob Dylan waar, met wie en waarom op welke dag deed, van 1941 tot 1995 - waarbij vluchtige contacten met aanbidsters bovendien buiten beschouwing worden gelaten? Wie, behalve de hard core Dylan-junk kan lachen om typeringen van een concert als 'legendarisch', omdat Dylan een versie speelt van New Morning waarin maar twee zinnen voorkomen uit het origineel en dat, de volle acht minuten speeltijd, door niemand in de zaal wordt herkend?

Zinvoller voor de geïnteresseerde leek is een andere geschiedkundige strategie: beschrijf de historie van de popmuziek aan de hand van de muziek zelf, in de breedte èn de diepte, en dan zal vanzelf blijken waarom de muziek zo populair is, waar kitsch overgaat in kunst, wat waardevol blijft en wat zo snel mogelijk moet worden vergeten. De veertiger behoudt zo zijn zelfrespect, maar kan gepast plaatsmaken voor nieuwe generaties, die de fakkel overnemen op een manier die hemzelf misschien allerminst aanstaat. Hij trekt geen gymschoenen aan, maar hoeft evenmin te bewijzen dat zijn eigen jeugdige Stones-elan nog steeds doorklinkt in de raps van Tupac Shakur.

Voor die benadering koos de Engelse muziekjournalist Barney Hoskyns in Waiting for the Sun. The history of the LA music scene. Hoskyns beschrijft de ontwikkeling van de Amerikaanse pop/rock in Los Angeles, van de zwarte jazz-zangers uit de jaren veertig tot de surf-punk eind jaren tachtig. De stad was met The Byrds de bakermat van de country-rock, die de 'serieuze' teksten van Bob Dylan koppelde aan een licht-psychedelisch gitaargeluid. Pretentieloze 'pop' ging er halverwege de jaren zestig over in de maatschappijkritisch en artistiek geladen 'rock', wat weer de basis legde voor een ongekende groei van de lokale platenindustrie. Later kwam de Californische mellow sound, die het kenmerk werd van de jaren zeventig, totdat de punk tegen het einde van dat decennium de bezem haalde door de decadente stal van de soft rock.

Hoskyns beschrijft het met veel oog voor detail maar zonder de grote lijnen uit het oog te verliezen. Daarmee is zijn boek nu al een standaardwerk, waaraan iedereen die enige affiniteit heeft met deze muziek - van Monday, Monday van The Mamas and The Papas tot Hotel California van The Eagles - plezier kan beleven. Geestig zijn ook de passages waarin de Brit Hoskyns uit zijn rol als chroniqueur valt om de rockscene een stoot onder de gordel te geven. Zo sneert hij naar de Uebermensch-fantasieën die een deel van de Californische rock volgens hem kenmerkten: de 'zilveren mensen langs de kust' die David Crosby bezingt in Wooden Ships (1969) doen hem denken aan 'Arische superwezens'. Instemmend haalt hij zijn landgenoot Brit Richard Rayner aan, die de welgestelde Californiërs beschreef als 'bikini stormtroopers and surf Nazis'. Storend werken zulke erupties in zijn betoog echter allerminst.

Toch ontsnapt zelfs Hoskyns niet helemaal aan de behoefte zijn werk in een diepzinnig cultuurfilosofisch kader te plaatsen, zij het alleen in zijn voorwoord. Waiting for the sun, schrijft hij daar, wil een studie zijn 'van de typisch Californische wisselwerking tussen licht en duisternis, goed en kwaad'. Als voornaamste praktijkgeval dient daarbij de psychopaat Charles Manson, die in de jaren zestig in de muziekwereld van L.A. rondhing voordat zijn volgelingen een reeks moorden pleegden in de stad. Maar hoe vaak is er na Manson al niet gelamenteerd over de 'Amerikaanse Droom die een Nachtmerrie werd'? Wat Mansons persoonlijke geschiedenis zegt over de wereld van de popmuziek blijft bovendien onduidelijk, behalve dan dat een smeltkroes van talent natuurlijk ook ruimte biedt aan gekken.

Chabot, Koenot, Hoskyns en Heylin hebben gemeen dat ze boeken hebben geschreven over popmuziek. Maar de fan-mail van Chabot en Koenot en de chroniqueursdwang van Heylin verbleken bij de volwassen historiografie van Hoskyns. Popmuziek heeft een historie nodig, geen metafysica.