Op de grens van het interview

Gerard van Westerloo: Sprekend ik, Eenentwintig vertellingen. De Bezige Bij, 292 blz. ƒ 37,50

Mijn vader. Een dochter van een pastoor. Hij was de grote liefde van haar moeder, maar nooit erkende hij haar als zijn dochter. Haar bestaan bleef besmuikt. Zes jaar na zijn dood bezocht ze zijn graf en zijn laatste parochie. Ze werd door een jonge kapelaan ontvangen. 'Ik ben zijn dochter,' zei ze. 'Ja', zei die kapelaan. 'Dat kun je wel zien.'

Mijn vriend. Een wereldkampioen bridgen die een jaar voor de wereldtop brak met zijn rotsvaste bridgemaat en vriend van zijn jeugd, en doorging met een andere partner. 'Ik kan ook met een ander spelen. Voor hem ben ik de enige met wie hij kan spelen. Voor hem was het een ramp. 'Jij!' zei hij. 'Juist jij! Juist jij!'

Mijn god. Een Surinaamse vriend, een jonge student die marxist wilde worden en die de auteur grappend en dollend door het binnenland van Suriname gidste. Die drie jaar later bleek hij medium bleek te zijn geworden. Door zijn mond sprak Ogii, de Grote Bosgod, voor de zesde maal in de geschiedenis. Nu woont hij in Utrecht. 'De winkel en het kantoortje staan vol met computers en modems en faxen. Daarachter heeft hij zijn hut gebouwd, het heiligdom, zijn contactcentrum met het Hogere. De Ogii komt daar niet. Die houdt niet van stad, laat staan van randstad.'

Mijn moeder. Een geadopteerd kind dat, negen en twintig jaar oud, voor de eerste keer zijn natuurlijke moeder opzoekt. 'Ik dacht: natuurlijk heb ik een leuke moeder! Natuurlijk is ze geen vrouw die vraagt, hoe maakt u het en hoe drinkt u de koffie? Ik zeg: 'Mijn vader is dood, niet waar?' 'Ja,' zegt ze, 'En dat is maar goed ook. Hij was een grote kerel hoor, je vader. En jij pik, ben jij groot geschapen?' 'Nou eh, ik denk niet dat ik, eh..' Je vader, jongen! Een paard! Alsof er een scheermes bij je naar binnenging.'

Gerard van Westerloo bundelde een en twintig levensverhalen, vertellingen zoals hij ze zelf noemt. Oorspronkelijk waren het interviews voor Vrij Nederland, maar Van Westerloo is er op zijn eigen wijze mee vandoor gegaan, met de prachtige ingehouden stijl waarmee hij eerder in Roosje de verborgen geschiedenis van zijn moeder reconstrueerde.

Ditmaal ging het experiment op de grens van de journalistiek verder. 'Het moeilijke met gewone mensen is dat ze veel meer stijl en vorm nodig hebben om ze geloofwaardig te maken,' verzuchtte Van Westerloo in een interview in De Journalist, maar dat gezwoeg is niet zichtbaar in het eindresultaat. De vaak urenlange gesprekken werden als aangespoelde stukken hout eindeloos gepolijst en geschuurd, Van Westerloo liet ze glanzen, en tenslotte groeiden ze uit tot iets nieuws, iets eigenzinnigs, iets tussen het korte verhaal en het interview in.

Mijn land is bijvoorbeeld een interview met de Molukse president in ballingschap, Frans Tutuhatunewa, maar het is ook het verhaal van een Friese dorpsdokter die president is van een land waar hij nog nooit een voet gezet heeft. Mijn blad, een gesprek met Libelle-hoofdredakteur Els Loesberg, gaat grotendeels over een klein meisje dat leeft in een bedachte wereld, even reëel als de tastbare wereld om haar heen. Ze heeft er zelfs een woord voor: denkdroom. Het is een wereld waarin het altijd goed komt. 'Armoe in Libelle? Absoluut ondenkbaar!' Mijn vijand is een portret van een gepensioneerde commando in een Noord-Limburgs dorpje, maar in werkelijkheid - wat is hier trouwens werkelijkheid? - gaat het over een man in Vietnam die drieduizend mensen doodgemaakt heeft om er één te kunnen pakken. En dat is niet gelukt. Mijn prijs gaat over de AKO-prijswinnaar P.F. Thomése, maar je leest het als een kort verhaal over roem en verraad: verraad aan de eigen stilte, aan de literatuur, aan de intimiteit van het schrijverschap. 'Die hele avond had ik het gevoel: mijn ziel zweeft door de lucht. Met mijn lichaam zijn ze aan het sollen.'

Zo heeft alles en iedereen in dit boek meerdere lagen, geheimen, dubbele bodems, en alles schuift, beweegt en intrigeert.

'Een creatief schrijver verenigt in zichzelf de waarnemer, degene die belééft, de verwerker en de vormgever,' schrijft Hella Haasse in haar pas verschenen essaybundel over de literaire biograaf. En zij voegt daaraan toe: 'Niet de waarnemingen, gebeurtenissen en ervaringen zijn voor hem/haar van primair belang, maar de betekenis die zij krijgen in een taalvorm.'

De 'grand old lady' van de Nederlandse letteren legt daarmee de vinger precies op de juiste plek. Bij de vraag of een werk literaire kwaliteiten heeft, een discussie die na de AKO-prijs weer is opgelaaid, gaat het om dit criterium, en niets anders. Het gaat niet om de - overigens jonge en kunstmatige - scheiding tussen non-fictie en fictie. Het gaat niet om realiteit of verbeelding. Het gaat niet om de vraag wie wel of niet mag meekakelen in het Hollandse literaire kippehok - hoewel dat aspekt voor sommigen centraal lijkt te staan. Het gaat in de kern maar om één ding: de taalvorm, en de dimensies die de taal aan de werkelijkheid kan toevoegen.

    • Geert Mak