Niets gebeurd, wel een staart

Nachoem M. Wijnberg: Geschenken. De Bezige Bij. 85 blz. ƒ 29,50

In Sylvie and Bruno (1889) laat Lewis Carrol de kleuter Bruno een verhaaltje vertellen. 'Once there were a Mouse - a little tiny Mouse,' begint Bruno. Als hij niet verdergaat, vraagt Carrol of er ooit iets met die muis gebeurd is. Nee, zegt Bruno dan, dat muisje heeft nooit iets meegemaakt... 'It were too tiny.'

Bij lezing van Geschenken, de zesde dichtbundel van Nachoem Wijnberg, kwam deze scène uit Sylvie and Bruno als vanzelf bij mij op. Ook Wijnberg begint, met ieder nieuw gedicht, aan een verhaal dat nooit afkomt of in zichzelf doodloopt. Zo'n verhaal kan heel beeldend beginnen, zoals in de eerste regels van 'Hand vergeten': 'Hij slaat een raam kapot en valt zijn vuist achterna / door het glas.' Het kan ook aanvangen met een elliptisch geformuleerd voornemen, zoals 'Nu uit te vinden/ of de kaarten kloppen'. En soms ook is een korte schets van het decor de inzet, zoals in 'Met hoofdknikken toestemming gevend', dat simpel aanvangt met de regel 'Eiken en pijnbomen' maar uitmondt in twee bomvolle pagina's zelfonderzoek.

In Ons Erfdeel (maart-april 1996) heeft Hans Groenewegen betoogd dat de poëzie van Wijnberg voortbouwt op de 'legendarische anekdotes' van Martin Buber. Diens chassidische vertellingen tonen in verhalen van telkens één gebeurtenis de zin en de betekenis van het hele leven. Zo'n voorbeeldigheid zou ook Wijnberg nastreven, en in die zin - aldus Groenewegen - schrijft hij anekdotische poëzie.

Maar zijn de gedichten van Nachoem Wijnberg wel anekdotisch?

Wijnberg doet slechts alsof hij vertelt; als dichter weet hij donders goed dat het verhaal en de poëzie op gespannen voet staan. Een dichter vertelt niet, maar gebruikt taal als een middel om zijn eigen zintuiglijke beleving met die van de lezer te delen. Wijnberg verstaat die kunst, maar combineert haar met een filosofische stoelendans. Elk beeld verleidt tot een gedachte, die op haar beurt nieuwe beelden en gedachten uitlokt. Meer dan anekdotisch zijn Wijnbergs gedichten, denk ik, associatief met een filosofische grondtoon.

De gedichten in Geschenken zijn langer dan die van Is het dan goed (1994). Dat is jammer, want juist op de korte baan zijn de associatieve plaagstootjes van Wijnberg trefzeker. In zijn lange gedichten intrigeert hij wel, maar na één pagina gaat de stoelendans vervelen. Hoe verademend is dan een gedicht als 'Gasten komen, gasten gaan':

Als een blinde

plotseling kan zien

loopt hij toch nog als een blinde

bang het te verleren.

Als een blinde

plotseling niet bang meer is

te verleren

te verliezen

te zien, niet te zien

niet bang te zijn

afscheid te nemen

van de gasten die niet kwamen.

Het is zoals met het muisje van Bruno: niets gebeurd, maar het heeft wel een staartje.