Latijnhouwers klom nooit op barricades

TILBURG, 8 NOV. Het tijdperk-Latijnhouwers werd gekenmerkt door grote veranderingen waarop hij steeds zeer behoedzaam inspeelde of anticipeerde.

Op de barricaden klimmen ging hem slecht af. Als er echte straatvechters nodig waren, zoals bij het niet betalen van de mestheffingen en het intimideren van de deurwaarders die dwangbevelen op de boerderij kwamen brengen, of eerder, tijdens het felle Brabantse boerenverzet tegen het streekplan, werd een actiecomité gevormd dat de kastanjes uit het vuur haalde. Op schreeuwerige bijeenkomsten, die de laatste jaren meer voorkwamen naarmate de boeren onder steeds zwaardere politieke en publieke druk kwamen te staan, zat hij er altijd wat onwennig en beduusd bij.

Ir. A. Latijnhouwers neemt deze maand na vijftien jaar voorzitterschap afscheid van wat nog niet zo lang geleden de machtigste aller boerenorganisaties heette, de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond (NCB).

Latijnhouwers was vooral een man van het compromis. Dat is niet zo verwonderlijk voor mensen die gevormd zijn in een tijd die werd gekenmerkt door het harmoniemodel en die bovendien belijdend katholiek zijn en corporatistisch zijn opgevoed. “Ik ben”, zei hij in een vraaggesprek, “gewend meer dan één kant uit te kijken.”

Hij hield meer van stille diplomatie. Dat werd, toen het CDA nog in de regering zat, vooral gespeeld over de band van de christen-democratie. Meer dan eens spekte de NCB het CDA-verkiezingsfonds in de hoop op Haagse welwillendheid in landbouw- en milieuzaken. Wat dat betreft kon in Brabant zeker worden gesproken van het Groene Front. Daarvan was hij één van de generaals.

Latijnhouwers, tijd- en leeftijdgenoot van de vroegere CDA-minister Gerrit Braks en met als hij gevormd in de NCB-school, vond aan het geven van dat geld niets ongeoorloofds. Bij opeenvolgende kabinetsformaties, waarbij het CDA was betrokken, werd zijn naam meer dan eens genoemd als minister van Landbouw, maar hij achtte zich daarvoor “te weinig ambitieus”.

Onlangs kreeg hij de eretitel “Beste Brabander 1995”. Bij die gelegenheid zei hij: “Ik ben verknocht aan de boerenstand, maar dat is logisch want ik ben zelf een boerenzoon.”

Zijn vader had een voor die dagen relatief welvarend gemengd bedrijf in Best. Daar werd “Ons Ad” 60 jaar geleden geboren. Hij studeerde af in de akker- en weidebouw aan de landbouwuniversiteit Wageningen. Voor zijn verkiezing tot voorzitter was hij secretaris van de NCB, waaraan hij in andere functies al sinds 1969 was verbonden. Daarnaast was hij via talloze nevenfuncties verankerd in de agrarische wereld, ook landelijk.

Langzaam wist hij de boeren ervan te doordringen dat uitsluitend de kont tegen de krib gooien niet het verstandigste antwoord was op de groeiende maatschappelijke kritiek. Vooral oudere Brabantse boeren, die zich nog de armoede van hun vaders herinnerden, verzetten zich fel: milieuproblemen oplossen, vooruit, maar dan niet ten koste van een economisch gezonde bedrijfsvoering. Ook steeds meer jongere NCB-leden vonden echter dat hun voorman wel wat meer zijn tanden mocht laten zien. Op een bijeenkomst met boeren in het Oost-Brabantse Wanroy, waar eind augustus van dit jaar een convenant werd gesloten waarbij boeren zich verplichten om het mineralengebruik te reduceren om het water minder te vervuilen, zei hij: “Binnen vijf jaar zal de overgrote meerderheid van de NCB-leden op de lijn zitten van deze pioniers. Natuur, milieu en boeren zijn elkaars vijanden niet meer, maar er rest nog één stap: we moeten nu ook elkaars vrienden worden.” Hij sprak die woorden zeker niet gratuit uit. Zelf gelooft hij heilig in een toenadering boer-burger. Al was het maar uit lijfsbehoud.

    • Max Paumen