Klimmen en pielen op de Dhaulagiri

Alpinist Bart Vos is gisteren uit Nepal teruggekeerd van de solo-beklimming van de Dhaulagiri. 'Met deze expeditie heb ik me in de voorhoede van de klimsport genesteld.'

EEMNES, 8 NOV. Het duurde een half uur voordat Bart Vos doorhad dat hij de top van de 8.167 meter hoge Dhaulagiri had bereikt. Hij liep op de topgraat, maar was op een gat gestuit waar hij niet doorheen kon. Hij maakte een omtrekkende beweging om de top van een andere kant te naderen. Pas toen de lucht eventjes opklaarde, kwam hij tot de ontdekking dat hij inmiddels lager stond dan waar hij vandaan kwam. Teruggekeerd op zijn schreden, terug op de top, nam hij de foto's die het bewijs vormen. Wanten uit, camera op de pikhouweel, zelfontspanner aan.

Bart Vos, in 1984 de eerste Nederlander die de Mount Everest bedwong, bereikte op 17 oktober de top van de Dhaulagiri (Witte Berg) in Zuid-Nepal, de op vijf na hoogste berg ter wereld. Hij klom solo, zonder zuurstof, zonder walkietalkies. Hij is de eerste Nederlander op de berg, de eerste klimmer die de top solo bereikt en hij klom een nieuwe, steile route op de oostwand. Twee eerdere pogingen in 1994 en 1995 waren mislukt.

“Bovenop de top zitten haken uit 1960 van de eerste beklimmers, er staat een kruis en er zit sinds twee jaar een dode man”, vertelt Vos in zijn woonplaats Eemnes. “Daar heb ik niets van gezien. Het was half acht 's avonds, het was donker, het stormde, er lag veel sneeuw. Ik ben binnen vijf minuten weer aan de afdaling begonnen. Je mag ook niet vervallen in een sfeer van euforie. Je moet controle houden, de gekte op afstand houden. De top is slechts een onderdeel van de expeditie. Die is pas afgelopen in het basiskamp. Of in de bewoonde wereld.”

Vos is 45 jaar en begint maandag gewoon weer aan zijn werk bij IBM. Hij is geen verzamelaar van hoge bergen. “Dit is mijn derde achtduizender. Er zijn er veertien, maar ik hoef ze niet allemaal te doen. Dat is kostbaar: alle achtduizenders in Nepal kosten 10.000 dollar, de Mount Everest kost 50.000 dollar. Het is tijdrovend en gevaarlijk. Het is pas drie mensen gelukt. Vorig jaar is er nog een Fransman verongelukt op zijn veertiende berg.”

De beklimming van de Dhaulagiri is de afsluiting van een project over Nepal, dat over een jaar moet uitmonden in een boek over het land. “Ik heb vier jaar in Nieuw-Guinea gereisd en daar een boek over geschreven. Dat wilde ik dit keer doen over Nepal. In 1993 begon ik er toch wat bergen van 6.000 en 7.000 meter te beklimmen. Daar had ik zoveel plezier in dat ik nóg een serieus doel wilde hebben.”

De beklimming van de Dhaulagiri moest sober worden. “De expeditie in 1984 naar de Mount Everest was met 10.000 kilo bagage en 400 dragers. Voor de sport gaat het om een zo hoog mogelijke berg, in een zo recht mogelijke lijn, in een guur seizoen, met zo min mogelijk hulp, in een zo kort mogelijke tijd. En dan nog het liefst in je zwembroek. Eenvoud en soberheid. Je probeert het anders te doen dan je voorgangers, je zoekt naar de grens van wat mogelijk is. Met deze expeditie heb ik me in de voorhoede van de klimsport genesteld.”

Vos vertrok op 7 september uit Nederland. Het basiskamp werd ingericht op een hoogte van 4.600 meter. Vos bracht vervolgens een voorraad naar een pas op 5.800 meter hoogte (de Noord-Oost Col). Na een dag acclimatiseren begon hij vanuit dat kamp de reis naar de top. Die duurde uiteindelijk negen etmalen. In zijn donspak zag hij er uit als een Michelin-mannetje. Op zijn rug droeg hij twintig kilo bagage: chocola, crackers met kaas, gevriesdroogde maaltijden, twee touwen, twee paar stijgijzers, tent, slaapzak, matje, pikkel, ijsbijl, medicijnen, pepmiddelen, pijnstillers en 30 campinggasbolletjes. “Een dag is acht uur klimmen, acht uur koken en pielen in je tent, acht uur slapen. In praktijk slaap je veel minder.”

Het koken komt neer op urenlang sneeuw smelten. “Door de lage luchtdruk raak je veel vocht kwijt met ademhalen. Het wordt als het ware uit je lichaam geperst. Dus moet je vijf tot zes liter per dag drinken. Je bloed is op grote hoogte toch al dikker door een overvloed aan rode bloedlichaampjes. Als je veel vocht kwijtraakt, wordt het nog stroperiger en komt het helemaal niet meer in de haarvaten in je vingers en tenen. Dan kunnen die bevriezen.”

Het grootste deel van de beklimming had Vos slecht weer. De temperatuur schommelt op zo'n bergwand tussen de min tien en min veertig graden (zijn horloge gaf -43 als minimum) en daar kwam dit keer veel wind en sneeuw bij. Een bonkende storm die voortdurende het tentdoek tegen zijn hoofd deed klappen. Een dag bleef hij in zijn bivak zitten en ook vlak onder de top moest hij nog een paar uur pauzeren.

Echt vervelend deed het weer pas op de terugweg. Vanuit het basiskamp vertrok Vos met de keukenhulp en de verbindings-officier (door Nepal verplichte werkverschaffing) voor de twee dagmarsen naar het dorp. De kok zou later komen. Onderweg werd het groepje overvallen door een sneeuwstorm die hun dwong een kamp op te slaan. Toen bleek dat de kok al het eten in zijn rugzak had en de keukenhulp alleen de pannen. Nadat vier Russische 'zakenmannen' zich bij hen hadden aangesloten, moesten de zeven mannen uiteindelijk zes dagen leven van zes pannenkoekjes, drie Marsen en zes rollen Rang. Van de vijf liter kerosine om sneeuw te smelten, gebruikte de keukenjongen op de eerste dag al twee liter om zijn sokken te drogen.

Terwijl Vos op de berg wachtte op het einde van de storm, verscheen in Nederland in de Telegraaf het bericht dat hij vermist was. Tot zijn grote ergernis. “Ik vind niet dat ik vermist was. In Nepal geldt: geen bericht, goed bericht. Als het fout gaat, is dat in twee dagen bekend. Dan holt de keukenjongen van het basiskamp naar het dorp om hulp te halen, om een helikopter te laten sturen. Er is pas reden tot ongerustheid als ik een maand te laat ben.”

    • Remmelt Otten