Kamer beperkt zich tot verwijten over nasleep IRT

DEN HAAG, 8 NOV. De Tweede Kamer blijft van mening dat de personele afwikkeling van de crisis in de opsporing onbevredigend is verlopen. Consequenties heeft dat echter niet voor de verantwoordelijke ministers, Sorgdrager (Justitie) en Dijkstal (Binnenlandse Zaken).

De meerderheid van de Kamer legde zich afgelopen nacht neer bij de uitleg die de bewindslieden gaven in het slotdebat over de IRT-affaire en de parlementaire enquête opsporingsmethoden. Dat gebeurde niet zonder slag of stoot. Een motie van de oppositie, waarin stond dat de ministers tekort zijn geschoten in de personele afwikkeling van de opsporingscrisis, kreeg geen steun van de regeringspartijen PvdA, VVD en D66.

Sorgdrager en Dijkstal wilden of konden geen disciplinaire maatregelen nemen tegen individuele leden van het openbaar ministerie en de politie die verantwoordelijk waren voor de opsporing van zware, georganiseerde criminaliteit. Dat wordt vrijwel onmogelijk gemaakt door de sterke rechtspositie van ambtenaren, zeiden zij. Dijkstal herhaalde dat een minister van Binnenlandse Zaken onder de huidige Politiewet al te zeer wordt beperkt in zijn mogelijkheden om actie te ondernemen tegen politiemensen.

Sorgdrager onderstreepte nog eens dat het handelen van officieren, hoofdofficieren en procureurs-generaal moest worden beoordeeld vanuit de normen die destijds golden. Die waren nu eenmaal beduidend minder strak geformuleerd dan inmiddels het geval is, aldus Sorgdrager. Daardoor kwamen de ministers niet verder dan het overplaatsen van een aantal betrokken justitie- en politiefunctionarissen, onder wie de Haarlemse hoofdofficier De Beaufort, korpschef Straver en de officieren Van der Veen en Van Capelle.

De Kamer verweet minister Sorgdrager dat zij een “te juridische” benadering had gekozen bij de beoordeling van haar personeel bij het openbaar ministerie, zoals het Kamerlid Korthals (VVD) het formuleerde. “Daarmee heeft de minister zich gebonden.” Nadat procureur-generaal Ficq in een onderzoek in opdracht van Sorgdrager had geconcludeerd dat het falen van het OM individuele officieren nauwelijks was aan te rekenen, kon de minister niet anders dan de conclusies overnemen. Sorgdrager kon de Kamer echter niet overtuigen van de juistheid van haar benadering. Het ontnam haar de mogelijkheid om op te treden tegen falende functionarissen.

Sorgdrager en Dijkstal blijven echter van mening dat zij al het mogelijke hebben gedaan om de werkwijze van hun personeel bij justitie en politie te beoordelen. Sorgdrager zei aan het slot van het debat dat zij zich “niet gehandicapt” voelt door de wetenschap dat haar handelwijze tot veel kritiek in de Kamer heeft geleid. “Zoals ik het nu overzie, heeft een meerderheid van de Kamer er vertrouwen in dat het verder goed gaat. En dat vertrouwen heb ik ook.”

De Tweede Kamer was tevreden over het omvangrijke wetgevingsprogramma dat Sorgdrager aan het voorbereiden is. De Kamer vindt wel dat Sorgdrager vaart moet maken.