Hopeloze overgave aan de liefde

Tomas Lieske: Gods eigen kleinzoon. Querido, 192 blz. ƒ 35,-

Het reisverhaal lijkt een overbodig genre te worden. Wie over vreemde landen wil lezen, over andere mensen en landschappen, afwijkende zeden en gewoonten, kan tegenwoordig ook bij de 'gewone' literatuur terecht. Er verschijnen de laatste jaren met regelmaat boeken die zich afspelen in een of ander buitenland: in Peru, Opper-Volta, Ierland, Hongarije, Zweden, Portugal, Mozambique, Zuid-Afrika, Marokko, Egypte of op Formentera, om een greep uit het aanbod te doen.

Ook dichter en schrijver Tomas Lieske lijkt een beetje uitgekeken op zijn directe omgeving. In zijn eerste verhalenbundel Oorlogstuinen (1992) neusde hij al wat rond in Midden- en Oost-Europa, en zijn roman Nachtkwartier (1995) speelt zich voor de helft af in Turkije. Gods eigen kleinzoon, zijn nieuwe verhalenbundel, is in zijn geheel gesitueerd in het noorden van Spanje, in de Baskische provincie Navarra om precies te zijn.

Hij beperkte zich niet tot het heden, of tot een bepaalde periode uit het verleden. De bundel omspant maar liefst twee eeuwen Spaanse geschiedenis, van Napoleon tot nu. Een geschiedenis vol strijd tussen opstandelingen en machthebbers: tussen Spanjaarden en Fransen, nationalisten en Carlisten, communisten en katholieken, armen en rijken, republikeinen en monarchisten, anarchisten en falangisten, liberalen en anarchisten. Het is Lieske niet begonnen om een verhandeling over het Baskische vraagstuk in historisch perspectief. Zijn verhalen hebben niets essayistisch. Ze lijken eerder op sprookjes: mooi geheimzinnige, maar ook grimmige sprookjes, die niet goed aflopen.

Om individuele lotgevallen draait het hier, om mensen die voor een groot deel bepaald zijn door hun afkomst, de toevallige omstandigheden en het tijdperk waarin ze leven. Toch proberen ze hun eigen weg te gaan, hoe moeilijk en vergeefs dat ook is. Ze moeten het vooral hebben van hun verbeelding, of ze nu leven in de tijd van de Franse bezetting, de industriële revolutie, de burgeroorlog of de dictatuur van Franco. Het zwijgzame weesjongetje uit het titelverhaal probeert zijn angstige en ongewisse bestaan in de hand te houden met behulp van zijn steentjesverzameling. De realiteit, bijvoorbeeld in de gedaante van een stervende soldaat, meent hij te bezweren door er een cirkel van steentjes omheen te leggen.

Ook de andere personages hopen te kunnen ontsnappen aan de alledaagse ellende door zich terug te trekken in hun eigen hoofd. Een meisje volgt de stem van God, hoe weinig hij ook van zich laat horen. Een jongen trekt naar zee om zijn geweten te ontlasten. Een volwassen man die zoveel op zijn kerfstok heeft dat zijn geweten allang bezweken is, verschanst zich met zijn geliefde in zijn prachtige huis en tuin. Maar veel kans op een veilig heenkomen is er niet. De brute werkelijkheid zal vroeger of later aan alle illusies een eind maken, dat lijkt Lieskes bewering.

De titel, Gods eigen kleinzoon, zou een verwijzing kunnen zijn naar Gods own country, de ietwat megalomane omschrijving van Amerika. Een ironische verwijzing dan, want in Lieskes verhalen lijkt God nog niet het allerbeste met zijn uitverkoren kleinzoon voor te hebben, en trouwens ook niet met zijn overige schepselen. Hij staat veel wreedheid toe, die leidt tot nog meer vergeefse strijd en zinloos leed. Het individu is hier niet veel meer dan een speelbal van politieke en sociale verwikkelingen en vooral ook van het domme toeval.

Toch stemmen de verhalen van Lieske eerder nadenkend dan droevig, of boos. Dat heeft alles te maken met zijn manier van vertellen. Hier is niet iemand aan het woord die weet hoe de vork in de steel zit, en die ons wel even een lesje zal leren over goed en kwaad. Hier spreekt eerder een schrijver die verbaasd is over de gang van zaken in de wereld en die, ondanks alles, nieuwsgierig blijft hoe het verder moet. Springerige verhalen zijn het, zo levendig en direct dat ze zich hier en daar aan zijn regie lijken te ontworstelen. Het is niet altijd duidelijk wat de ene zin of alinea precies met de vorige te maken heeft, of waarom we soms ineens van de verleden in de tegenwoordige tijd belanden, of juist omgekeerd. Ook zijn stijl vergt enige concentratie. Mooie, treffende formuleringen worden afgewisseld met hakkelige zinnetjes, die misschien wel effectief zijn, maar ook lelijk. Over een meisje dat nogal heftig leeft, merkt Lieske bijvoorbeeld op: 'Alles aan haar was nieuw leven. Haar snoepen en eten. Haar ontbloting op dat kasteelbed. (-) Zelfs haar van tijd tot tijd aanpassen aan de gehuichelde netheid van de familie.' Het is moeilijk te zeggen of Lieske deze weerbarstige manier van schrijven cultiveert, of dat hij gewoon niet anders kan. Ligt er een hoger plan aan ten grondslag, of volgt hij een stem in zijn hoofd, net als zijn verhaalfiguren?

Dat maakt het lastig een oordeel te vellen over zijn verhalen. Uiteindelijk vallen de stilistische en verhaaltechnische onvolkomenheden weg tegen hun beeldende en suggestieve kracht. Ze zijn ruig en mysterieus en doortrokken van een vreemd soort geloof in iets hogers, tegen beter weten in. De rode draad wordt gevormd door de misschien wel typisch Spaanse overgave aan de liefde. Een onmogelijk soort liefde, die geen vervulling behoeft: van een jongetje voor een veel oudere vrouw, van een meisje voor God of van een man voor zijn vermoorde vrouw. Zij geven zich allemaal op een riskante manier over aan hun hartstocht.

Af en toe duikt er in deze verhalen 'een Hollander' op, een nuchtere toeschouwer op de achtergrond, als om ons te herinneren aan de herkomst van de schrijver. In het laatste verhaal, dat zich in het heden afspeelt, mag zo'n Hollander de hoofdrol vervullen. Het is vast niet toevallig dat hij net als Lieske uit Den Haag komt en schrijver is. Hij blikt terug op vroeger, toen hij als zestienjarige verliefd was op een Spaans meisje. Jaren later is hij nog steeds verbijsterd over haar vanzelfsprekende dubbelzinnigheid. Zij was even heftig schaamteloos als preuts. Ze was bereid tot alles en tot niets en verlangde van hem hetzelfde: evenveel overgave als zelfbeheersing. Aan zulke tegenstrijdige eisen kon hij niet voldoen. Het is een mooie vondst van Lieske om in het laatste verhaal van zijn Spaanse bundel een stugge noorderling met de staart tussen de benen te laten vertrekken, terug naar Den Haag. Hij zag op tijd in dat hij maar een buitenlander was, niet in staat de Spaanse ziel te begrijpen. Onbedoeld illustreert het misschien ook nog eens de overbodigheid van het reisverhaal.

    • Janet Luis