'Het was te bedreigend in Zaïre maar nu wil ik terug'

Meer dan honderd buitenlandse hulpverleners moesten evacueren uit Goma omdat de situatie in Oost-Zaïre te dreigend was. E. Vreeke was één van hen.

MAARHEEZE, 8 NOV. “Zodra het veilig is, wil ik terug naar Goma”, zegt E. Vreeke. Hij is een van de naar schatting 130 buitenlandse hulpverleners die zaterdag evacueerden uit de Oostzaïrese stad Goma, die door rebellen was ingenomen. Woensdag keerde Vreeke terug in Nederland.

Vreeke is sinds anderhalf jaar in dienst bij Artsen Zonder Grenzen (MSF) in Goma, als directeur van een plaatselijke organisatie die medicijnen verkoopt aan ziekenhuizen in de provincie Noord-Kivu. Twee weken geleden maakte de strijd tussen het Zairese leger en de Tutsi-rebellen het voor hulpverleners onmogelijk zich buiten Goma te begeven. Acht leden van het MSF-team werden geëvacueerd naar de Keniaanse hoofdstad Nairobi.

De situatie in Goma werd vorige week donderdag dreigend. 's Ochtends bleek dat het MSF-team zijn basis niet meer kon verlaten. Vreeke: “De sfeer in de stad was gespannen. Het was onduidelijk wat het doel van de rebellen was. Iedereen wist dat er iets ging gebeuren.” Vanaf dat moment hield MSF rekening met een evacuatie.

Rond een uur of tien 's morgens begon vanaf Zaïrees grondgebied artillerievuur richting het noordoosten waar het vliegveld van Goma ligt. “Er werd geschoten vanaf Mont Goma, een uitgewerkte vulkaan waarin de haven van Goma ligt, en vanuit het presidentiële paleis, dat niet meer dan 800 meter verwijderd lag van onze basis. We konden de beschietingen niet zien, maar wel horen. Ik denk dat er tussen 10 en 13 uur 40 à 50 projectielen afgevuurd zijn.” Het MSF-team bereidde zich voor op een evacuatie, een eventuele verdediging, plunderingen en het opvangen van de andere buitenlanders die zich nog in Goma bevonden. In de middag verminderden de beschietingen echter en de evacuatie werd uitgesteld, omdat de Zaïrese autoriteiten de buitenlanders niet wilden laten gaan.

Vreeke: “Vrijdagmorgen werden er weinig projectielen vanaf Zaïrese kant gevuurd, maar we waren bang dat we bij een aanval in het kruisvuur van de twee partijen terecht zouden komen. Het werd ons te heet onder de voeten.” Het MSF-team besloot daarom te verhuizen naar de basis van de UNHCR aan de rand van het centrum van de stad, waar de andere NGO's zich ook hadden verzameld. Hemelsbreed is dat minder dan twee kilometer van de Rwandese grens af. Het team van MSF en twaalf andere buitenlanders reden rond elf uur in konvooi naar de basis van de UNHCR. Vreeke beschrijft de situatie in de stad. “Er waren meer mensen dan normaal in beweging, meer militairen ook, en die waren een stuk zenuwachtiger dan anders.”

Op de UNHCR-basis troffen ze de andere ex-patriots aan, tussen 100 en 130 hulpverleners, burgers en geestelijken van verschillende nationaliteiten. De buitenlanders werden verdeeld over twee huizen die elk werden verdedigd door vier à vijf militairen van het Contingent Zaïrois, een speciale eenheid die door de UNHCR wordt betaald om de buitenlandse hulporganisaties in Zaïre te beschermen.

“Op een gegeven moment zagen we op het meer een aantal boten komen vanuit Rwanda”, herinnert Vreeke zich. “Ze bleven buiten schotafstand rondvaren en trokken de aandacht van de militairen die ons beschermden. Het moet een afleidingsmanoeuvre zijn geweest, want korte tijd later werd de basis vanaf het land aangevallen door de rebellen.”

Vreeke: “Het was alsof zij ervoor wilden zorgen dat wij achter de frontlijn kwamen en van daaruit weg konden komen. Dat was voor de meeste mensen een hele geruststelling. Ik heb slechts een glimp gezien van de rebellen. Sommigen hadden uniformen aan, anderen droegen overalls. De snelheid, de gedisciplineerdheid en de gebruikte tactiek maakten de indruk dat het een erg goed getraind leger was.”

De rebellen hadden het gemunt op de militairen van het Contingent Zaïrois. Er ontwikkelde zich een vuurgevecht dat ongeveer een uur duurde. “We hoorden schoten bij de poort en renden snel het huis in. Eerst naar de huiskamer, toen naar de binnenste kamers, vervolgens naar het trappenhuis en ten slotte naar de overloop op de eerste verdieping. Er brak echter geen paniek uit, omdat wij allemaal de overtuiging hadden dat wij zelf niet aangevallen zouden worden. Zelfs toen er op de begane grond kogels en mortieren in de muren sloegen en een matras in brand vloog, bleef iedereen rustig. Alleen toen we op de overloop stonden en ik achter me een muur zag, brak het zweet me uit.” De Contingent-militairen die het huis verdedigden waarin Vreeke zich bevond, wisten op een gegeven moment te vluchten. In het aangrenzende huis waren de militairen wat minder snel. Net voordat zij de basis wilden afrijden, werd de poort opengeschoten met een mortier. “Ik ben zelf niet gaan kijken, maar volgens ooggetuigen zag die auto er na een dertigtal seconden uit als een requisiet uit een Rambo-film, doorzeefd met kogels”, aldus Vreeke. Vrijwel meteen daarna werd het rustig. Het schieten verdween steeds verder uit de buurt, in de richting van Mont Goma. Toen de situatie veilig leek, rond een uur of elf, vertrokken alle buitenlanders in konvooi naar de Rwandese grensplaats Gisenyi. Daar wachtte hun een overdonderend welkom door de pers en collega's.

Het MSF-team is drie weken verplicht met vakantie gestuurd om de spanningen te verwerken en om bij te komen. “Voor sommigen te lang, voor anderen te kort”, vindt Vreeke. Zelf wil hij zo snel mogelijk terug. “We hebben het plaatselijke personeel uitbetaald tot het einde van het jaar. Ik heb ook geld achtergelaten voor de lopende kosten. Ik hoop niet dat ik in Nederland moet blijven en dat andere hulpverleners naar Goma worden gestuurd om onze taken over te nemen. Ik wil het graag allemaal zelf doen.”

    • Claudia Kammer