Het milieu is nu wel genoeg gespaard

Andrew Rowell: Green Backlash. Global subversion of the environment movement. Routledge. 476 blz. ƒ 38,70

Het gaat niet goed met de natuurbescherming en de milieubeweging, niet alleen in Nederland, maar in de hele wereld. Het vanzelfsprekende krediet dat Greenpeace, Natuurmonumenten en Milieudefensie bij de media in de afgelopen decennia hadden, is zo zoetjesaan verdwenen. Politici durven zich openlijk te keren tegen de milieu-lobby, de milieubeweging zelf is in het defensief of opereert veel voorzichtiger.

In de Verenigde Staten is dit proces al een jaar of tien aan de gang, in Europa is het nog maar net begonnen. Afgelopen maand gingen in de Tweede kamer stemmen op om de subsidie voor Milieudefensie te stoppen omdat deze vereniging een ballonnenactie tegen Schiphol doorzette nadat het parlement zich akkoord had verklaard met uitbreiding van de luchthaven. Natuurmonumenten krijgt minder geld voor aankoop van terreinen - het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij geeft het geld liever aan boeren om op andere wijze natuurwaarden te verkrijgen. Het Wereldnatuurfonds ligt al enkele jaren onder vuur wegens zijn steun aan teakplantages in Midden-Amerika. Boeren zeggen hun lidmaatschap van Natuurmonumenten op omdat ze het natuurbeheer van deze vereniging niet begrijpen: de distelkwekerijen naast hun akkers en de rottende kadavers van grote hoefdieren die, in tegenstelling tot hun zieke vee, niet worden afgevoerd, zijn hun een doorn in het oog. Ten slotte is de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging een actie begonnen om van de jachttradities in Nederland te redden wat er te redden valt.

Of deze reacties berusten op deugdelijke informatie of op bot eigenbelang kan hier in het midden gelaten worden - feit is dat men zich langzamerhand verzet tegen de macht van de natuur- en milieubeweging. En dit verzet is nieuw.

De kentering was eigenlijk onvermijdelijk. Elke beweging roept op den duur een tegenbeweging op - het is nog een wonder dat de milieubeweging zolang onweersproken is gebleven. De oorzaak daarvan is ongetwijfeld de langdurige steun die de milieubeweging van de media heeft gekregen. Vrijwel alles wat de dappere David van het milieu ondernam tegen de Goliath van de gevestigde belangen, was welgedaan. Maar nu de milieubeweging zelf groot en machtig is geworden, is het met die vanzelfsprekende steun gedaan. Tegelijk is een actieve tegenbeweging ontstaan, die zich keert tegen de natuurbeschermers. De conclusie kan luiden dat het milieubesef politiek volwassen aan het worden is, en de onweersproken heiligverklaring van het milieu voorbij. Milieu is in de toekomst slechts één punt op de politieke agenda, een belangrijk punt weliswaar, maar een dat praktisch afgewogen wordt tegen andere belangen.

Het boek Green Backlash. Global subversion of the environment movement van Andrew Rowell geeft een internationaal overzicht van de tegenbeweging. Hoewel Rowell een onafhankelijk journalist is, geeft hij onmiddellijk toe dat zijn boek tot stand is gekomen met hulp van Greenpeace. Het is dan ook goed te merken aan wiens zijde zijn sympathie ligt. Toch is Green Backlash zeer de moeite waard, niet alleen voor degenen die de milieubeweging ter harte gaat, maar ook voor degenen die haar willen bestrijden.

Rowell begint met de clash die de natuurbescherming aanging over bescherming van de oerbossen in het westen van de Verenigde Staten. Er bevinden zich in de staten Californië, Oregon en Washington en in de aangrenzende Canadese provincie British Columbia zogeheten 'gematigde regenwouden', bestaande uit hoogopgaande naaldbomen die honderden jaren oud worden. Grote delen van dit bos zijn nog maagdelijk, maar door het vele hout van hoge kwaliteit ook zeer in trek bij de houtindustrie. Het verzet tegen de kap van deze oerbossen duurt al vele decennia, maar de strijd verhardde zich pas de laatste jaren.

De oorzaak van die verharding is ongetwijfeld de wanhoop van vele milieubeschermers, die ten slotte zware middelen niet meer schuwden. Het simpelweg langdurig omarmen (hugging) van te kappen bomen, werd langzamerhand vervangen door nailing, dat wil zeggen het slaan van harde spijkers in te beschermen bomen, zodat de zagen van de zagerijen erop stuk zouden slaan en zware schade onvermijdelijk was. Nailing was meer een mythe dan werkelijkheid, maar de gevaren van rondspattende zaagtanden in de zagerij riepen erg veel emoties op. De vakbonden die de belangen van de arbeiders in de houtindustrie vertegenwoordigden, begonnen een actief verzet tegen de milieubeweging. Een aanhanger van Greenpeace kon zich voortaan beter niet vertonen bij de ruige houthakkers in de bossen.

In Green Backlash wordt dit verzet beschreven als het gevolg van een uitgekiende tactiek van de houtindustrie, die via een mantelorganisatie arbeiders voor zijn karretje wist te spannen. En het werkte: houthakkers in spijkerbroek en geruite hemden met protestvlaggen bij het Witte Huis en op de televisie. Het publiek, tot dusverre automatisch op de hand van de milieubeweging, werd op zijn minst in twijfel gebracht. Rowell beschrijft de Aha-Erlebnis van de houtindustrie: zo moet je de milieubeweging dus bestrijden. Niet met lobbyen achter de schermen, maar door het oprichten van een tegenbeweging, eentje die ook arbeiders omvat.

Dit boek beperkt zich hoofdzakelijk tot de Verenigde Staten. Dat is begrijpelijk, want de tegenbeweging is daar veel sneller tot ontwikkeling gekomen. De anti-milieubeweging wortelt daar in rechtse delen van de Republikeinse partij, de stroming die wars is van elk overheidsingrijpen en het marktdenken voorop stelt.

In Groot-Brittannië wordt 1995 door Rowell aangemerkt als het jaar van de ommekeer. Kort na elkaar verschijnen drie boeken met veelzeggende titels als Small is stupid: blowing the whistle on the greens, verder Down to earth: a contrarian view of Environmental problems, en tenslotte Life on a modern planet; a manifesto for progress. De nieuwe woorden greenlash en ecobacklash zijn dan snel gevonden. De Britse strijd gaat vooral over de aanleg van nieuwe wegen, een strijd die meestal wordt verloren door de milieubeweging, net als bij Amelisweerd in Nederland.

Rowell beschrijft uitvoerig hoe de anti-milieubeweging te werk gaat. Een dankbaar onderwerp is natuurlijk het tot zinken brengen van een actieschip van Greenpeace door de Franse geheime dienst in 1985. Ook is de IJslandse filmmaker Magnus Gudmussen, die zich inspant voor walvisvangst, een gemakkelijke prooi voor Rowell: Gudmussen verdraait de werkelijkheid zo vaak en zo aantoonbaar dat hij vrijwel alle tegen hem aangespannen processen verliest.

Maar hoe instructief Green Backlash ook is voor journalisten - die eruit kunnen leren dat veel beweringen van de antimilieubeweging uit de lucht gegrepen zijn - helemaal bevredigend is de samenzweringstheorie van Rowell toch niet. Door de milieubeweging worden wel degelijk fouten gemaakt. Beweringen zijn soms uit de lucht gegrepen en informatie onjuist, zoals de schattingen van Greenpeace over de giftige inhoud van het olieplatform Brent Spar dat Shell in zee wilde laten afzinken. Sommige tegenstanders van de milieubeweging zijn fatsoenlijke mensen, zoals de voormalige Noorse premier Brundtland, die van oordeel is dat walvissen wèl geschoten mogen worden. Een ander, professor Böttcher, een van de eerste leden van de Club van Rome, bestrijdt nu het onwankelbare geloof in het broeikaseffect.

In Nederland bestaat nog geen uitgebreide, georganiseerde tegenbeweging. De chemische industrie heeft een keurig voorlichtingsbureautje opgericht, de Amsterdamse Stichting C3 (Communicatiecentrum Chemie), dat paniekverhalen over de chemie objectief moet tegenspreken. De jagerslobby pakt het grondiger aan, met de oprichting van twee stichtingen. Dat zijn de stichting 'Behoud Natuur en Leefmilieu' - een verwarrende naam die moet lijken op die van de stichting Natuur en Milieu - en de nieuwe stichting Actief Faunabeheer, een naam die ook erg lijkt op die van haar bestrijder, de stichting Kritisch Faunabeheer. Deze heeft dan ook prompt een kort geding aangespannen over de naam van haar nieuwe rivaal.

Tot dusverre spelen deze nieuwe antibewegingen in Nederland nauwelijks een rol, het zijn pionnen die door journalisten in het politieke debat niet worden opgemerkt, netzomin als de stichting 'Rokersbelangen' van de tabaksindustrie. Dat kan veranderen, als maatschappelijke discussies meer op de televisie worden uitgevochten, zoals in de Verenigde Staten. Dan is er een actieve en zichtbare tegenbeweging nodig. En die zal er in Nederland dan ook zeker komen.

    • Rob Biersma