Het escapistisch universum van Giphart; Een trommelvuur van humor

Ronald Giphart: Phileine zegt sorry. Balans, 214 blz. ƒ 29,90

Tot nu toe bepleitte de auteur Ronald Giphart, geliefd bij vooral jonge lezers, gehaat door vooral oudere recensenten, plezier in het leven als het hoogste goed. In zijn nieuwe roman 'Phileine zegt sorry' duikt naast de roes ineens het echte leven op, met onthutsend resultaat. 'Je zou bijna denken: Giphart zegt sorry. Maar zo is het niet, in elk geval niet helemaal.'

Al twee romans en een verhalenbundel lang geeft Ronald Giphart woorden aan een gedachte waar een mens van opkijkt. Het leven, zegt hij, is niet zwaar. Het leven is niet moeilijk. Het is leuk.

Laat die woorden even tot u doordringen, keer de blik daarna naar binnen en stel vast of u ze meevoelt. Waarom niet? Een kleine steekproef onder vrienden leert me dat ze zelfs agressie wekken, ogenblikkelijk en acuut, alsof ze een verraad zijn aan het leven zelf. Een half oog immers op de krant, een half oog om je heen, of erger, in jezelf, en je ziet meer aan narigheid dan je wilt weten. Hoe bestaat het dat een mens daar almaar opgewekt bij blijft?

Giphart, schijnt het, weet waar het geluk te halen is. Of hij het nu over zichzelf heeft, over iemand die daar erg op lijkt of over Utrechtse studenten, want dat is waar hij het door de bank genomen over heeft, de dagen zijn een feest. Er is muziek en er is drank, er zijn vriendinnen, er zijn vrienden, en dan volgt een lang en roesverwekkend fuiven, dat gewoonlijk uitloopt op een vrij verkeer van lichaamssappen. Seks, dat is het hoogste hier, gewoon à deux of anders wel in groepsverband. Het doel van het bestaan is een orgasme.

Dat is ook wat schrijven zo aangenaam maakt, zegt Giphart, het komt aardig in de buurt van een orgasme. Aan zijn tekstverwerker, 'met een halve erectie van opwinding en met het zweet parelend in mijn bilnaad', komt hij bijna klaar van zijn spontaan opwellende verzinsels. '(-) zo vind ik bij voorbeeld dat schrijven primo en ten eerste alleen maar leuk moet zijn,' aldus zijn alter ego Giph, de held van zijn gelijknamige tweede roman, 'leuk om te doen, fijn om te vinden, schrijven is een solipsistische bezigheid die alleen en louter genot en zinnebevrediging moet verschaffen, voila, een dogma, schrijven is masturbatie, meer niet, schrijven is me aftrekken.'

Die levenslust is eraan af te lezen. Giphart schrijft met grote vaart, in soepel zwiepende zinnen, en hij zit nooit om een grap verlegen. Woordspelingen en woordomkeringen, beledigingen en boutades, scheldkannonades en gesaboteerde halfcitaten, het is een trommelvuur van humor dat hij op je afschiet. Soms voel je daaronder nog een kern van ernst en echt gevoel, maar soms ook loopt het uit op welbewuste nonsens. 'Ik hou van proza,' zegt hij met een variant op Lodewijk van Deyssel, 'dat als een zichzelf onderschijtende mongool op me toekomt.'

Dat proza heeft hem in een paar jaar tijd tot favoriet gemaakt van vooral de jongere lezers en tot schietschijf, mogelijk om dezelfde reden, van vooral de oudere recensenten. Ook bij hen blijkt Gipharts vrolijkheid acute afkeer op te wekken, amoreel en onverschillig voor de wereld als die is. Ze voelen in zijn werk misschien zelfs wel een aanval op de literatuur, op de beschaving en de waarden die de literatuur verdedigt. Het geeft naar hun idee geen zicht op nieuwe werelden, het heeft geen diepte en het toont geen innerlijke noodzaak. Het is plat en populistisch, een provocatie van een late puber - en het moet gezegd, daar ziet het inderdaad wel eens naar uit. Na zijn debuut Ik ook van jou is Giphart op de vleugelen van het succes een kant en klare humorist geworden, grappend op afroep tot het lachen je wel eens vergaat.

Dat neemt niet weg, wat mij betreft, dat Giphart een verfrissende verschijning is in ons wat zwaarbebrilde literaire leven. Door het radicale van zijn vrolijkheid is hij in elk geval een van die zeldzame auteurs waar je van alles van kunt vinden, maar niet niets. En bovendien - er is iets aan die vrolijkheid dat me nieuwsgierig en argwanend maakt, iets wat me het gevoel geeft dat ik in de maling word genomen. Wie een grap maakt, neemt afstand. Wie een grap maakt van het hele leven, die neemt van het leven afstand. Zou je zoiets doen als je daar juist zo innig van geniet? Die pret, daar moet iets onder zitten, iets heel anders, en dat maakt me elke keer toch weer benieuwd naar Gipharts werk. Wat houdt de bluffer achter?

Zijn nieuwste gooi is Phileine zegt sorry, tweehonderd bladzijden roman, en voor de ingevoerde lezer klinkt er weer veel vertrouwds. Phileine is een meisje, wat het aftrekken dit keer bemoeilijkt, maar is ook een zusje van genoemde Giph, wat de gelijkenis verklaart. Net als haar broer heeft ze het in het leven prettig mee. Een 'voltreffer' is ze, aldus de liefdestest van de Viva, en hoe zou ze het ontkennen? Ze is sexy, ze is slim, en ze is ook nog eens waanzinnig grappig, vindt ze, wat vooral degenen mogen ondervinden die dat alles niet zijn. Lelijke en domme mensen, losers in het algemeen, bestempelt ze kordaat tot lillend vogelbekdier, bebrilde waterbig, muiltumor, megatrol, totaalcreep, opgegraven veenlijk, wandelende braakemmer, platgekeesd snotkegelwijf, Verschrikkelijke Geitekop, reptielgezicht of darmwandabces. Wie zeurt staat in de weg, alles wat de pret kan drukken moet uit beeld.

Met die niet geringe inzet stort ze zich in een verhaal dat al even typisch Giphart is. Als al zijn helden gaat ze ter verhoging van haar levensvreugde op vakantie naar een lustopwekkende bestemming. Naar New York, in haar geval, waar haar vriendje Max een jaar op een toneelschool zit. Ze wordt meegezogen in het leven van zijn vriendenkring, uitbundig en lawaaierig, om op te schrikken als ze hem ziet spelen in een uitermate hedendaagse Romeo en Julia. In de mannelijke hoofdrol gaat hij uit de kleren en voegt na een monoloogje van zijn tegenspeelster ('Thou must fuck me') de daad bij het woord. Verbijsterd kijkt Phileine toe. Kun je een erectie spelen?

Met die verbijstering komt een verhaal op gang, zoals ze zelf beseft, over 'het fascinerende grensgebied tussen trouw & ontrouw, liefde & verraad'. Ze maakt het uit met Max, en aan, en uit, ze troost zich door ook zelf maar vreemd te gaan, ze komt na wilde openbare scènes op TV bij David Letterman, en tussen alles door begint ze na te denken over haar verhouding. Er is lust, zo stelt ze vast, iets louter biologisch, en er is liefde, iets volslagen anders. Er is 'sekstrouw', maar ook 'liefdestrouw', die seks met derden niet hoeft uit te sluiten, en ze komt tot de conclusie dat de laatste verreweg de voorkeur heeft. Waarom verbieden wat juist leuk is?

Tot zover weinig nieuws, ook in Phileine zegt sorry gaat het altijd nog om het primaat van de lol. Maar het verrassende is dat op de achtergrond van de roman een tweede en heel andere geschiedenis wordt verteld. Terwijl Phileine haar moraal ontdekt, blijkt ze vaak lang zo vrolijk niet als ze zou willen zijn. Valt de verrukking van de stromende hormonen voor een poosje weg, dan is meteen de glans van het bestaan en blijkt de wereld een domein te zijn waar dromen sneuvelen en alles vroeg of laat verschimmelt en verdwijnt. Niets blijft, niets biedt vertroosting. Life sucks.

Nu liet ook Giph zich al iets dergelijks ontvallen, in een onbewaakt moment, maar bij Phileine wordt het ernst. Zelfs seks biedt haar geen troost meer, als ze eerlijk is, zelfs geilheid is geen uitweg uit verval en dood. 'Stel dat een vrouw via een seks-afspreeklijn een anonieme, woordloze ontmoeting met een vreemde man heeft gehad,' stelt ze zich voor, 'en dat zij bij terugkomst hoort dat haar dochtertje is aangereden en in het ziekenhuis ligt, en dat ze vervolgens op de kinder-intensive-care bij het bed van haar dochtertje staat te smeken dat alles goed komt, terwijl het zaad van die onbekende man nog tussen haar benen plakt: wat is dan nog de betekenis van seks?'

Hier opent zich ineens een afgrond van zinloosheid. Als zelfs seks voor haar geen zin meer heeft, wat dan in hemelsnaam nog wel? Als ik het goed zie, rest haar niet veel meer dan onvrede. Ze danst de dagen door, dat wel, maar als een beer op een gloeiende plaat. 'Zo zit ik in elkaar,' erkent ze, 'als ik ergens weg wil, voel ik me er pas thuis.' Haar afkeer van de wereld neemt steeds groter vormen aan, ze wordt volkomen onuitstaanbaar. Ze is niet in staat tot gangbaar menselijk contact, beweren kennissen. Ze gunt een ander geen plezier, erkent ze zelf. Ze leeft pas als ze zich kan ergeren en voelt zich pas gelukkig als ze weet dat anderen het ook niet zijn. 'Verongelijktheid,' zegt ze, 'is mijn levenshouding.'

En het wordt nog erger. Als ze door begint te krijgen dat er niemand is met wie ze echt contact heeft, niet met Max, niet met haar zogenaamde Hollandse vriendinnen, waar ze nooit meer iets van hoort, dan keert haar afschuw zich ten slotte tegen de eigenlijke bron - zichzelf. De haat slaat naar binnen. Ze moet denken aan een zeis die langs haar hals scheert, of aan een auto die haar 'beeld voor beeld' tegen een vangrail drukt. En kijkt ze uit een wolkenkrabber, dan denkt ze onwillekeurig aan de beroemde foto (Time/Life, jaren vijftig) van een jonge vrouw die vredig lijkt te slapen op het dak van een Buick, die geparkeerd staat voor de flat waar zij zojuist vanaf gesprongen is. 'Cette fille,' zegt Phileine, 'c'est moi.'

Dat alles zet de onbezorgde joligheid van Gipharts werk ineens in een heel nieuw licht. Dat hij zijn helden keer op keer laat opgaan in een hormonale roes is niet omdat het leven leuk is, zou ik denken, maar omdat het dat nu juist totaal niet is. Die kicks, die geilheid, het is allemaal om te ontkomen aan de waarheid van het leven, de ontluistering en het verval. Wat je als lezer in zijn vorige romans dus meekrijgt is niet Gipharts eigenlijke overtuiging, maar het tegendeel, een negatiefbeeld als het ware van zijn schrijverschap.

In Phileine zegt sorry zie je naast dat negatiefbeeld voor het eerst de echte foto, naast de roes het echte leven. Giphart confronteert ze met elkaar, laat zien wat beide werelden met iemand doen en trekt daar een conclusie uit die tamelijk onthutsend is. Die fijne uitvlucht in de roes, die maakt het op den duur alleen maar erger. Je kunt wel voor even denken dat je in het leven opgaat, maar je sluit je er in wezen juist voor af. Wanneer de roes voorbij is heb je niets of niemand meer, je bent alleen, vervuld van weerzin tegen alles om je heen. Je zit gevangen in jezelf, potdicht, en wat het ergste is - je hebt het zelf gedaan.

Die gevangenschap heeft voor Phileine verstrekkende gevolgen, als ik me niet vergis. Doordat ze niets meer in de wereld is, is ze ook bijna niets meer voor zichzelf. Ze heeft geen binnenkant, ze voelt zich hol, en ze beziet zichzelf daarom maar liever van de buitenkant. Ze ziet zich staan bij alles wat ze doet en maakt zichzelf tot een soort personage. Ze praat over haar leven als 'mijn grotendeels nog te leven autobiografie', ze droomt van een 'biografische documentaire over mij en mijn leven' en ze laat in een gesprek een 'verteltechnische stilte' vallen. Het leven als rol - ze stapt er zo in.

Misschien is dat wel waar het Giphart in dit boek uiteindelijk om gaat: om het onwerkelijke van de werkelijkheid voor iemand als Phileine, maar ook Max, die naast de werkelijkheid bivakkeert. De een staat op toneel en krijgt een levensechte erectie, de ander staat in het leven maar beleeft het als toneel. Reality acting, dat is hun levenshouding. Acting the truth. Het is een hopeloze dubbelzinnigheid, die alles wat ze zeggen tussen aanhalingstekens plaatst, en aan het eind van de roman wordt de onuitgesproken vraag of dat nog te veranderen valt. Is er nog toegang tot de werkelijkheid?

Dat slot is hoogst merkwaardig. De vileine Phileine gaat met de scene van vriendje Max naar een AIDS-gala in het Palladium en krijgt daar, overrompeld door de onvermijdelijke sfeer van liefde en saamhorigheid, ineens een vlaag van zelfinzicht. Ze ziet haar onuitstaanbaarheid, haar egoïsme, haar getreiter, en ze grijpt de microfoon om voor de grofweg vijfduizend aanwezigen te biechten dat ze zich misdragen heeft, ja dat ze spijt heeft. Phileine, voor het eerst in haar bestaan, zegt sorry.

Als uitbraakpoging uit haar zelfgebouwde isoleercel lijkt dat op het oog niet slecht, zij het een beetje bruusk. Maar er is meer aan de hand. Ze vlecht door haar ontboezeming à l'improviste een warm pleidooi voor wat ze noemt een 'aardiger samenleving' met meer tolerantie en aandacht voor elkaar. Ze biedt opnieuw haar verontschuldigingen aan en voegt daaraan een zin toe die de laatste wordt van de roman. 'Sorry dat ik besta.'

Klinkt dat nog steeds bemoedigend? Dat zinnetje is een perfecte samenvatting van haar toestand - eenzaam, leeg, autistisch en uiteindelijk, als ze niet oppast, zelfvernietigend. Het is een dramatisch zinnetje, te meer daar het wordt uitgesproken om een eind te maken aan die toestand. Maar het is vooral een reddeloos cliché en zelfs een letterlijk citaat (uit een refrein van Annie Schmidt, in de musical Foxtrot). Het is namaak, onvervalste kitsch, en daardoor alles behalve een bevrijding. Zelfs, of juist, in haar waarachtigste moment is ze een wonder van onwaarachtigheid. De werkelijkheid blijft afgesloten, zij blijft opgesloten.

Daarmee wordt Phileine zegt sorry het verslag van een impasse. In weerwil van de reputatie van de schrijver is het een roman met een probleem, een inzet waar een leven van af hangt. Het is bovendien een boek dat weliswaar heel losjes in elkaar gestoken lijkt, maar als je goed kijkt streng en zorgvuldig van constructie blijkt te zijn, wat niet altijd gezegd kon worden van de voorgangers. Het is in ieder opzicht dus een ernstig boek, een zowaar, en je zou bijna denken: Giphart zegt sorry.

Maar zo is het niet, in elk geval niet helemaal. Het eigenaardigste van de roman is wel dat de grapdichtheid ondertussen hoger ligt dan ooit, op het hysterische af. Geen zin gaat nog voorbij zonder een dubbelzinnigheid of omkering of overdrijving. Een dolzinnige machinerie van tetterende taal wordt het, op hol geslagen cabaret. Hoe onttakelder Phileine raakt, hoe harder Giphart grappen afvuurt.

Het gevolg is dat Phileine zegt sorry als geheel uiteindelijk gaat lijden aan eenzelfde soort impasse als de heldin. Het is alsof de schrijver je niet toestaat met zijn zelfgeschapen wereld mee te leven. Telkens als het ernst wordt, dendert hij er met zijn taalmachine overheen en vraagt de lezer om een gulle lach. Je zou het hele boek zelfs kunnen lezen als een moppentrommel, zonder ook maar een moment te merken dat er meer in zit. Niets wordt echt, niets raakt de werkelijkheid waar het intussen over gaat, en aan het einde overheerst de indruk dat het niet alleen Phileine is die hier gevangen zit. Tussen de regels zie je ook een schrijver, screaming to get out.

Aan die onderhuidse hoogspanning, verbeeld ik me, valt aardig af te lezen hoe het er in wezen voor staat met dit schrijverschap. De hoop op seks en roes als vlucht uit het bestaan mag Giphart langzaamaan ontvallen, hij houdt nog één uitweg open, die van het schrijven zelf. Hij trekt zich af in taal, zoals hij zegt, de schrijverij werkt als een surrogaat van seks en roes. Hij trekt zich dus eigenlijk af, in taal, om de ellende niet te hoeven voelen die hij met die taal intussen vormgeeft. Hij ontkent al trekkende wat hij ontdekt.

Daar is maar één ding aan te doen. Zoals hij met de echte seks niet kon ontsnappen aan de eisen van de werkelijkheid, zo kan hij met die virtuele zelfseks niet ontsnappen aan de eisen van de kunst. Hoe pijnlijk het ook zijn mag, voor een volgende roman zal ook die laatste uitvlucht eraan moeten geloven.