Gnosis

In deze krant stond op 25/10 een recensie van mijn boek De mislukte man. Vrouwenhaat in het christendom onder de uitdagende kop 'Gnostische seks'. De recensent besteedt bijna één van de twee kolommen aan een nogal ontoereikende omschrijving vn de gnosis. Daarbij begaat hij de helaas veelgemaakte fout om gnosis gelijk te schakelen met New Age.

New Age doet niet meer dan op te nemen uit de gnosis wat zij kan gebruiken. Lezers van mijn boeken weten dat ik mij daarom sterk distantieer van de vaak aan de oppervlakte blijvende New Age.

Het boek De mislukte man gaat echter helemaal niet over de gnosis, laat staan over New Age. Het geeft een beschrijving van de vrouwenhaat (en lustangst) binnen de kerk door de eeuwen heen. Waarbij uiteraard ook niet om het historische verschijnsel van de gnosis is heengegaan.

Het is jammer dat vanuit de pre-occupatie met vermeende New Age-sympathieën in het artikel een aantal feitelijke onjuistheden wordt weergegeven. Bijvoorbeeld dat mijn enige bewijsvoering voor het huwelijk tussen Jezus en Maria Magdalena zou zijn dat iedere joodse man op die leeftjd getrouwd was. Ik voer een groot aantal bewijzen voor deze stelling aan, variërende van Paulus en kerkvader Epiphanius tot aan de Nag Hammadi-geschriften (in het Evangelie volgens Filippus wordt de Magdaleense openlijk de vrouw van Jezus genoemd en wordt beschreven hoe hij haar vaak kuste). Ook stel ik dat veel joodse onderzoekers van deze periode in de geschiedenis het ten hoogste onwaarschijnlijk achten dat een rondtrekkende rabbi niet getrouwd zou zijn geweest omdat hij daarmee het eerste gebod ('Wees vruchtbaar') zou overtreden.

Verder blijkt uit niets in mijn boek dat ik gnostische stromingen die seks als 'demonisch' bestempelen, zou bewonderen. Het is ook niet mijn mening dat dit niet vrouwvijandig is bedoeld, maar is terug te vinden in de teksten zelf, waaruit ik in mijn boek kwistig citeer.

Uit die citaten blijkt ook duidelijk dat het in de meeste gevallen bij de kerkvaders niet alleen ging om een afwijzing van de seksualiteit, maar om een afwijzing vn de vrouw. Helaas is er geen sprake van een 'vermeende vrouwvijandigheid van het christendom', zoals de recensent oppert. Kerkvaders als Tertullianus noemen de vrouw 'de ingangspoort van de duivel'. Thomas van Aquino en Albertus de Grote spreken over de vrouw als 'een mislukte man', een 'misbaksel'. De geestelijke heren konden in de Middeleeuwen overigens voor het vinden van de 'juiste' beschrijving van de vrouw gebruikmaken van het Vrouwenalfabet, een handzaam naslagwerk waarin van A tot Z de vrouw ontleed werd; via de A van Avidum animal (gretig dier), de B van Bestiale beratrum (beestachtige afgrond), de C van Concupiscentia carnis (wellust van het vlees), enzovoorts tot aan de Z van Zelus zelotypus (jaloerse naijver). In de Heksenhamer, aanleiding tot naar schatting ruim een miljoen bloedige slachtoffers, wordt de vrouw 'een vijand van de vriendschap, een onontkoombare straf, een noodzakelijk kwaad en een onwenselijke rampspoed' genoemd.

Dit alles heeft diep doorgewerkt in onze cultuur. Daarvoor de ogen sluiten is op zijn minst gezegd kortzichtig.