Franse auteurs die midden in het leven staan; Ontsnappingen aan de middelmaat

Jean Rolin: L'organisation. Ed. Gallimard, 182 blz. ƒ 38,95 (Prix Médicis ex aequo)

Jacqueline Harpman: Orlanda. Ed. Grasset, 299 blz. ƒ 48,40 (Prix Médicis ex aequo)

Geneviève Brisac: Week-end de chasse à la mère. Ed. de l'Olivier, 205 blz. ƒ 38,15 (Prix Fémina)

Laat niemand meer beweren dat de Franse literatuur zich in een crisis bevindt. Vier dagen geleden maakten de eerste literaire jury's een keuze uit een overstelpend aantal nieuwe romans, waarvan er maar liefst 296 alleen al dit najaar verschenen. De jury van de Prix Fémina (na de Goncourt de oudste literaire prijs in Frankrijk) bekroonde Week-end de chasse à la mère van Geneviève Brisac. Net als vorig jaar ging de eveneens zeer respectabele Prix Médicis ex-aequo naar twee auteurs. Jean Rolin deelt zijn prijs voor L'organisation met Jacqueline Harpman, schrijfster van Orlanda.

Op de short list van de Prix Fémina stonden vijf kandidaten: Geneviève Brisac, René de Ceccaty, Eric Holder, Pascale Roze en Jean-Pierre Ostende. Naar deze laatste had, wat mij betreft, de prijs ook mogen gaan vanwege zijn nuchter neergezette, uitzonderlijke anti-held in La province éternelle. Dat neemt niet weg dat Geneviève Brisac (1951), uitgeefster en journaliste, met vier titels op haar naam, een uitstekend boek heeft geschreven. Zoals al betoogd in de korte bespreking van dit boek in de boekenbijlage van 18 oktober, is Week-end de chasse à la mère origineel in thematiek maar ook in stijl en taalgebruik. Het is een vrolijk boek, vol humor, maar ook een gedesillusioneerd relaas over de onmogelijkheid te ontsnappen uit het bedreigende dagelijkse leven en onder te duiken in de wereld van de fantasie.

Onder het vijftiental kandidaten voor de Prix Médicis bevonden zich favorieten als Marie Ndiaye, Régine Détambel, Elisabeth Gilles en Marie Nimier. Net als de juryleden van de Prix Fémina, heeft ook de jury van de Prix Médicis een duidelijke voorkeur uitgesproken voor auteurs die hun personages een enerverende, persoonlijke reis laten maken om aan de grauwe middelmaat te ontsnappen.

Journalist en schrijver Jean Rolin (1949) publiceerde vorig jaar het veelgeprezen Zônes, een bijzonder boek over de maanden die hij, bij wijze van experiment, als zwerver doorbracht in Parijs, zonder vrienden, zonder geld en zonder dak boven zijn hoofd. Voor het nu bekroonde L'organisation, wederom meer een verslag dan een roman, putte Rolin ook uit zijn eigen leven, maar nu met wat meer afstand. Met een gezonde dosis ironie beschrijft de auteur hoe hij in de jaren zeventig behoorde tot de groep idealistische jongeren uit de bevoorrechte klasse, die na mei '68 al hun schepen achter zich verbrandden en hun heil zochten in het militantisme van links-maoïstische groeperingen. De leden van deze agressieve 'organisation', die het geweld niet schuwde, infiltreerden in grote fabrieken om actief de boodschap van de revolutie te prediken. Zelf kwam Rolin niet in een fabriek aan de slag omdat hij, als student, niet geoefend was in het met de hand produceren van windassen of loden buizen. Schertsend herinnert hij zich hoe hij traktaten opstelde met leuzen als 'Op het moment dat de boer zijn koe gaat melken, komt de burger stomdronken thuis'. Het partijkader stelde het echter niet op prijs toen hij zijn maoïstische broeders liet kennis maken met Céline's Reis naar het einde van de nacht. Liever als schoonmaker of kikkervanger worden 'geproletariseerd', dan als notaris of advocaat tenondergaan in het saaie, inhoudsloze burgerleven. Zijn hartstochteljk revolutionaire gedichten dienden twee meesters: de vrouwelijke kameraden op wie hij, tegen alle regels in, toch verliefd werd en de eeuwige opstand, de enige definitieve ontsnapping uit het burgermansbestaan.

Door de ironie en de humor die Rolin zelf tentoonspreidt tegenover de jongen die hij op zijn éénentwinstigste jaar was, heeft het eerste deel van L'organisation soms iets weg van een schelmenroman, een deeltje 'Pietje Bell maakt revolutie'. Tegen het eind van het boek wordt de toon ernstiger. Als er ergens geschiedenis wordt geschreven wil de verteller erbij zijn: gewelddadige aanslagen in het Noord-Ierse Belfast, chaos na de onafhankelijkheid van het voormalige Guinee-Bissau, oorlog in ex-Joegoslavië. Uiteindelijk voel je meer dan dat je leest hoe de ik-persoon door wanhoop wordt gegrepen, de afgrond instort en verslaafd raakt aan drugs en alcohol. Knap suggereert Rolin ook hoeveel bloed, zweet en tranen het kostte er weer bovenop te komen. 'We zijn allemaal kreupel, zei hij, maar we leven met hoop.' Het lezen van dit boek is een verademing omdat de schrijver zich, ondanks zijn autobiografische uitgangspunt, niet heeft overgegeven aan een breed uitgemeten, persoonlijk ach en wee.

De tweede winnaar van de Prix Médicis, Jacqueline Harpman (1929), schreef met Orlanda een boek van een heel ander kaliber. De Belgische schrijfster, van beroep psycho-analytica en wonend in Brussel, debuteerde in 1959 met Brève Arcadie. Vorig jaar verscheen haar negende roman Moi qui n'ai pas connu les hommes.

Orlanda, een evidente verwijzing naar Virginia Woolfs Orlando, is een curieus boek met een opmerkelijke invalshoek. Het stelt zich voor hoe de wereld eruit zou zien als vrouwen hun verdrongen mannelijke eigenschappen openlijker zouden laten spreken en mannen hetzelfde zouden doen met hun vrouwelijke karaktertrekken. Wat Virginia Woolf zich in stilte afvroeg, laat Harpman 'echt' gebeuren. Orlanda, de mannelijke helft van de vrouwelijke hoofdpersoon, ontsnapt en vestigt zich in het brein van een jongeman. Hij heeft er genoeg van onderdrukt te worden en voelt een grote behoefte zich nu eens als een echte kerel te uiten. Vooral wil hij ontsnappen aan de eeuwige verveling die het instandhouden van een rustig geweten met zich meebrengt. Zo probeert de schrijfster antwoord te geven op vragen waarmee zij ongetwijfeld in haar professionele leven werd geconfronteerd: Zou de vrouw zich dan vrijer en onafhankelijker voelen? Zou de man minder behoefte hebben de macho uit te hangen? Zouden beide seksen elkaar dan wellicht beter begrijpen? Welke factoren bepalen eigenlijk iemands identiteit?

Toch is Orlanda veel meer dan de uitwerking van een interessant psychologisch denkexperiment. Niet alleen analyseert zij Woolfs roman op een originele en diepgaande manier, ze wandelt ook met kennis van zaken door Proust en Balzac en beschrijft en passant de perfecte moord. 'Ach, het was een roman, een verzonnen verhaal dat alleen in mijn hoofd heeft plaatsgevonden. Ik heb geen bloed aan mijn handen, alleen een beetje inkt. Ik heb nooit de pretentie gehad moreel correcte verhalen te schrijven.'

Het is opvallend dat de personages van alle drie de laureaten midden in het moderne leven staan, er een positie innemen en vechten tegen de verveling of de machten die onherroepelijk sterker zijn dan zijzelf. Waar de een probeert te ontsnappen door een retrospectieve tocht naar het verleden, geeft de ander juist de voorkeur aan een reis in zijn eigen innerlijk. De wereld boezemt hen angst in, maar opgeven is niet hun stijl.

    • Margot Dijkgraaf