Elke dag zwaardvis

De hengelverhuurder had zijn sandalen uitgetrokken. Zijn grote eeltige voeten had hij op een stoel gelegd. Van onderen hadden ze de kleur van waterige pastis. Ik ben dol op pastis. Hij verhuurde niet alleen hengels, hij verhuurde ook boten, kano's om precies te zijn. Ik had nog nooit van mijn leven gekanood, maar ik wilde het graag meemaken.

Ik wilde bijna alles meemaken. Toen ik nog niet in rozijnen deed, maar mijn geld verdiende met het produceren van verhalen, schreven ze over mij: 'Hij kan schrijven, maar hij moet nog wat meemaken.'

Maar wat is meemaken? Ik moest lang geleden een elektrische tandenborstel kopen. Ik liep zes rondjes om de winkel van elektrische tandenborstels, toen ging ik naar binnen en kocht de eerste de beste tandenborstel die ik zag. Daarna ging ik mijn tanden borstelen. Wel zes keer per dag. Want van voren was mijn gebit helemaal bruin, net een oud appeltje.

Als je mensen wilt versieren en charmeren moet je gebit van voren er niet uitzien als een oud appeltje. Hoe het er van achter uitziet maakt niet zoveel uit. Je kan nog zo grappig zijn, je kan veertig kwinkslagen per uur produceren, maar als je gebit van voren op een oud appeltje lijkt, gaat heel veel moois aan je voorbij in dit leven. Ik praat uit ervaring. Daarom kocht ik die elektrische tandenborstel. Ik poetste tot het bloedde, maar ik bleef poetsen. Ik poetste ook als er bezoek was, en soms poetste ik in het park of in de tram, want het was een oplaadbare tandenborstel. Je stak hem even in het apparaat en hop, daarna kon je weer uren vooruit. De hengelverhuurder had ook bruine tanden. Hij zei: 'Jullie kunnen niet met zijn tweeën in een kano. Zij zijn eenpersoons.'

Ik vind het wel prettig als mensen een beetje in verval zijn. Als ze van top tot teen jong en blakend zijn, dat heeft iets bedreigends. Ik voel me natuurlijk wel aangetrokken tot jong en blakend, maar het is net als de wilde natuur. Het is leuk in een plaatjesboek, maar om er zelf tussen te zitten, nou nee.

Billy en ik kenden elkaar nu twee dagen. En ze wilde vissen. In het meer van Saratoga. We wilden eerst een restaurant kopen, maar er was geen restaurant te koop. Toen zei ze: 'Laten we vissen, heb je wel eens gevist als kind?'

'Met zo'n hengel, bedoel je? Nee nooit', zei ik.

'Wat raar', zei ze, 'ieder kind doet dat toch?'

Billy was niet jong en blakend, maar wel mooi. Als je achttien bent denk je anders over mooi dan als je 25 bent. Of liefde te koop is, daar wil ik van afwezen, maar schoonheid is te koop - zoveel is zeker. Tomaten zijn te koop, en sinaasappelsap, en warme kleren voor de winter. Dat is maar goed ook, dat het allemaal te koop is, anders zouden we het moeten stelen. Dat is een van de redenen dat ik zelf te koop ben. Ik wil liever dat ze me kopen, dan dat ze me stelen.

De hengelverhuurder nam ons mee naar de boten. Ik moest in een blauwe boot gaan zitten en Billy in een gele. In mijn ene hand kreeg ik een hengel en in mijn ander hand een roeispaan. Toen duwde hij ons af. 'Goeie vangst!' riep hij nog.

Aan mijn hengel zat een zwarte worm van rubber, met gele oogjes. Ik vroeg me af of vissen niet het verschil zouden merken tussen een levende worm en een worm van rubber.

Billy was heel goed in hengelen. Maar mijn lijn kwam overal terecht, behalve in het water. In mijn haar, in de boot, in een tak. Op een gegeven moment heb ik de worm van rubber maar met mijn hand in het water gelegd. Het zag er goed uit. Daar gaat het tenslotte om.

Ik roeide niet. Ik was bang om te slaan.

'Heerlijk hè', riep Billy.

'Ja', riep ik terug.

Er stond een stroming op het meer. Eerst merkte ik er niets van. Ik merkte het pas toen ik tussen het riet kwam vast te zitten met mijn kano en mijn hengel. Het riet was heel hoog. Niemand kon me meer zien, en Billy al helemaal niet. Die zat middenop het meer te hengelen alsof het haar lust en haar leven was.

Ik was niet de enige die in het riet zat. Er waren ook nog veertig ganzen. Wilde ganzen. Ze kwamen op me af, die ganzen en ze maakten een enorm lawaai. Ze hadden grote snavels. Ik pakte mijn roeispaan en bewoog die door de lucht om de ganzen op een afstand te houden. Ze hadden iets bloeddorstigs in hun ogen. Ik had me nooit gerealiseerd dat ganzen zulke ogen hadden. Ik heb nooit zo op ganzen gelet. Alle dieren van de kinderboerderij heb ik verdrongen.

Ik dacht: zo makkelijk komt de wereld niet van me af, ik laat me hier niet verscheuren door een stel wilde ganzen. Iedere keer al ze weer dichterbij kwamen hief ik mijn roeispaan in de lucht, alsof ik een echte Teutoon was. Of een Batavier.

Uiteindelijk heb ik me bevrijd uit het riet. Ik ben gewoon uit de kano gestapt en heb de kano en de hengel achter me aangetrokken. Gelukkig was het water niet zo diep, daar bij het riet.

Billy lag aan de kant. Ze had niets gevangen. Ik zei dat ik me als een Teutoon tegen de ganzen had verweerd. 'Je verdient een medaille', zei ze. En toen leek het alsof we daar voor lange tijd, misschien wel voor altijd aan dat meer zouden blijven liggen, met die wilde ganzen en die hengel met zijn worm van rubber. Alsof er geen faxapparaten meer zouden bestaan, geen magazijnen, geen telefonische orders, geen vriendin, geen rozijnen.

Billy pakte een oud verkreukeld kauwgumpje uit haar tas en gaf me de helft. Als ik had kunnen bidden had ik dat nu graag gedaan. Maar ik kon niet bidden, daarom pakte ik Billy's blote voet en begon haar tenen te tellen.

(wordt vervolgd)