Een zwarte Blanche

Door de dood van Rufus Collins, pionier van het zogeheten allochtonentheater in ons land, sta je opnieuw stil bij dat begrip. In gedachten beproef je de analogie met bij voorbeeld het jeugdtheater of het doventheater. Dat is toch iets anders. Dat is er vóór de jeugd en de doven maar het wordt niet per se door hen gemaakt. Het allochtonentheater wel: de makers zijn zelf de doelgroep. Ze willen “aan het toneel”, maar in het reguliere circuit kunnen ze nergens of bijna nergens terecht.

Als je zwart bent of in elk geval niet blank (van huid of culturele achtergrond) en je kunt beter acteren dan dansen en zingen, dan kun je als Medea nog fungeren en als Agamemnon met wat meer moeite ook. Maar als Ibsens Freule Julie? Of als Tsjechovs' drie zusters? Zelfs als Blanche in Tennessee Williams' A streetcar named Desire, afkomstig uit het multiculturele land bij uitstek, wordt je vertolking al direct een statement: 'neutraal' of ingegeven door je acteertalent, zoals het hoort, zal de keuze van de regisseur niet zijn.

Dat is het probleem dat Collins terecht signaleerde. Zijn oplossing, de oprichting van een 'kleurrijk' toneelgezelschap, was een vorm van sectarisme, met alle nadelen vandien. Begrip bijvoorbeeld. 'Ze' moeten iets voor zichzelf hebben, 'ze' moeten zich ook kunnen ontplooien: het is het soort besef dat onvermijdelijk is en dat een louter artistiek oordeel onmogelijk maakt. Het ondermijnt de gelijkwaardigheid tussen het multi-culturele theater en het publiek. Dat moet bij voorkeur 'blank' zijn - want anders wordt het ook nog eens preken voor eigen parochie - en dat blanke publiek is zich feilloos bewust van zijn positie. Het noemt het getoonde 'sympathiek' of 'levenslustig' of 'dynamisch' en zo zijn er nog wel wat dodelijke kwalificaties te bedenken.

Ik heb het nu uitsluitend over de slechte producties, die zijn de lakmoesproef.

Rufus Collins was eerder dan een begenadigd regisseur, een theatermakende activist die met succes het breekijzer hanteerde. Dank zij hem ontstond immers de toneelgroep De Nieuw Amsterdam.

Voor hem persoonlijk veranderde dat succes misschien in een mislukking, toen vier jaar geleden de Raad voor de Kunst en de Amsterdamse Kunstraad zich kritisch uitlieten over de artistieke resultaten van de DNA en vooral over Collins' inbreng. Het allochtone circuit liep, zoals te verwachten was, te hoop tegen de Raden. Het bleek maar weer eens hoe weinig belang de gevestigde orde hechtte aan de culturele activiteiten van minderheden.

Ik vond en vind de kritiek juist een hoopvol teken.

Een toneelgroep is geen werkplaats en kunst geen therapie. De pionier Collins werd, al was het op enigszins hardhandige wijze, beloond en niet gestraft. Het allochtonentheater was kennelijk stevig genoeg verankerd om serieus genomen te worden en ook de emancipatie van de beoordelaars was ver genoeg gevorderd om geen last meer te hebben van verlammende politieke correctheid.

Zo kun je het uitleggen en zo moet je het uitleggen, denk ik. Zo schiet het ten minste op en kan Blanche misschien ooit zonder problemen zwart zijn.