Een portret van iedereen; Een nieuw museum voor hedendaagse kunst in Berlijn

De Duitse ondernemer Erich Marx kocht de afgelopen twintig jaar meer dan 180 kunstwerken van onder anderen Kiefer, Beuys, Nauman en Warhol. Onlangs schonk hij zijn collectie aan de stad Berlijn, die haar onderbracht in een oud station, het Hamburger Bahnhof. “Het portret van Mao wint op deze plaats bepaald aan waarde. Nog geen tien jaar na de val van de muur aanbidt Berlijn, op slechts een paar meter afstand van die voormalige muur, een communistisch leider.”

Hamburger Bahnhof, Invalidenstrasse 50/51 Berlijn. S-Bahn Lehrter Stadtbahnhof. Di t/m vr 9-17u, za en zo 10-17u. Catalogi: Sammlung Marx. Twee delen. Uitg. Schirmer Mosel, 294 en 284 blz. Prijs 44 DM, twee delen 80 DM.

Erich Marx is in hetzelfde jaar geboren als Joseph Beuys en op dezelfde dag jarig als Cy Twombly. Marx, jurist, verdient zijn geld met het laten bouwen van hotels en klinieken en van dat geld koopt hij sinds 21 jaar moderne kunst; van genoemde Beuys en Twombly en van Andy Warhol, Anselm Kiefer en andere moderne meesters met wie hij geen jaar of dag deelt maar die wel uitdrukken wat er in 'zijn eigen ziel voorhanden is', zoals Marx het onlangs zelf verwoordde.

Het geboortejaar en de ziel van Marx (Brombach, 1921) zouden waarschijnlijk weinigen interesseren als hij zijn kunstwerken voor zichzelf had gehouden. Dat heeft hij niet gedaan. Marx kocht zijn 180 schilderijen en beelden met de bedoeling om ze in een museum te laten zien. Zijn collectie heeft hij nu geschonken aan de stad Berlijn, die haar onderbracht in een oud station in het centrum van de stad, het Hamburger Bahnhof. Het museum is een dependance van de Nationalgalerie, die er ook een deel van haar collectie naartoe verhuisde. Het Hamburger Bahnhof is voortaan Berlijns museum voor hedendaagse kunst, waar het heden in 1950 begint.

Dr. Marx is in de Duitse pers als een ijdele man afgeschilderd, en waarschijnlijk is hij dat ook, al pleit voor hem dat hij het portret dat Warhol van hem maakte niet in het station liet ophangen. Maar voor deze terughoudendheid had hij vermoedelijk nog een andere reden. In zekere zin beschouwt Marx zijn hele verzameling als een zelfportret. Maar de collectioneur weet natuurlijk dat hij niet uniek is; dat er bijvoorbeeld nog duizenden anderen Marx heten, in 1921 geboren zijn of op dezelfde dag als Cy Twombly hun verjaardag vieren. Wat in zijn ziel voorhanden is, vermoedt hij ook in die van anderen, blijkt uit de inleiding die de verzamelaar schreef in de ter gelegenheid van de opening van het museum verschenen catalogus. Het Hamburger Bahnhof is een portret van allen.

Het Hamburger Bahnhof was maar kort station. In 1904 werd in het neoclassicistische gebouw uit 1846 het Museum voor Verkeer en Bouw ondergebracht. In de Tweede Wereldoorlog werd het station zwaar beschadigd. Het bleef ongebruikt tot Harald Szeemann er in 1988 voor het eerst een tentoonstelling organiseerde. Het station is nu door Joseph Kleihues verbouwd tot een beschaafd kaal museum, dat, zoals het tegenwoordig hoort, zijn industriële afkomst niet verbergt. Aan de oostzijde voegde Kleihues, die in Berlijn veel bouwt, een galerie toe voor de grote schilderijen van de Amerikanen Warhol, Twombly, Robert Rauschenberg en Roy Liechtenstein. Aan de westzijde had nog een galerie moeten komen voor Europese schilderkunst van groot formaat, maar daarvoor was de honderd miljoen mark die Berlijn voor het museum over had niet genoeg. Dit gedeelte van de collectie Marx is voorlopig te zien op de begane grond van Mies van der Rohe's Neue Nationalgalerie.

Jaren tachtig

De centrale glazen hal van het nieuwe museum, gedragen door slanke ijzeren bogen, wordt gedomineerd door vier grote werken van Anselm Kiefer, Richard Long en Mario Merz. De zaal is groot, maar dat zijn de werken van Kiefer, Long en Merz ook. De glazen iglo van Merz en het vliegtuig en de boekenkast van Kiefer (Volkstelling, 1991) lijken in de hal gepropt. Alleen de platte stenen cirkel van Long in het midden van de zaal kan ademen, het is een rustig, tijdloos eiland in een museum dat ondanks haar naam in sommige zalen een museum voor de jaren tachtig lijkt. Marx en zijn raadsheer, de kunsthandelaar Heiner Bastian, verzamelden veel kunst die in de eerste helft van dat decennium populair was. De woeste figuratieve schilderijen van de Amerikaan Schnabel, de Italianen Cucchi, Clemente en Chia en de Duitsers Fetting en Disler zijn nu bepaald niet in de mode, maar misschien is dat over tien jaar weer anders. De vroege jaren zeventig, die nu door jonge kunstenaars zo vaak worden geïmiteerd, zijn dan wellicht weer aan verguizing toe. Toch slaat de schrik om het hart bij het betreden van de wildeschilderzaal; het blijkt moeilijk je aan de modes in de beeldende kunst te onttrekken.

Werk van kunstenaars die pas in de jaren negentig aan de slag gingen, is in het museum nog maar mondjesmaat vertegenwoordigd. Marx verzamelt Fiona Rae, Matthew Barney en Rachel Whiteread; de Nationalgalerie voegt hier voorlopig alleen Maria Eichhorn aan toe. Maar de collectie van het museum is niet statisch. Werken die volgens de staf (het museum heeft geen eigen directeur) niet meer bij het heden horen, zullen verhuizen naar de Neue Nationalgalerie of de geplande uitbreiding daarvan, om plaats te maken voor nieuwe aanwinsten. Erich Marx heeft toegezegd voor het Hamburger Bahnhof te blijven verzamelen.

Speelgoedhert

Het Hamburger Bahnhof is een prestigieuze aanwinst voor Berlijn, vlak naast het toekomstige regeringscentrum aan de Spree. Je kunt er kijken naar Elvis Presley, Jackie Kennedy (bij Warhol), naar La Cicciolina (bij Jeff Koons), naar arbeiders van I.G. Metall (bij Reinhard Mucha). Toch dwaalt de blik steeds af, naar een man in een Tiroler jasje die een speelgoedhert met zich meedraagt, naar een Zweed met geel haar die een erg Duits gedicht wil voordragen, naar twee jongens die hand in hand een broodje worst eten in het nog geïmproviseerde restaurant, naar al die minder opvallende gestalten die op de dag van de opening in het schaduwloze licht werk na werk bekijken, naar gladde huid, rode stof, pukkel naast wenkbrauw, naar gouden bril, volle mond, geen haar op hoofd maar wel in oor, naar dikke dij in strakke broek, rode krullen groene sjaal, naar honderden koppen, torso's, benen. Het publiek, wiens ziel volgens Marx door de kunst weerspiegeld zou moeten worden, blijkt zich net zo te laten bekijken als de kunstwerken aan de muur. 'Veel mooier dan het mooiste schilderij, ben jij, mijn lieveling, ben jij,' zegt een oud Nederlands lied, en dat geldt hier voor iedereen. Gelukkig is er ook een kunstenaar die dat laat zien. Thomas Struth (1954) ging het Louvre binnen en keek niet naar de Mona Lisa, maar naar de mensen die naar haar keken of bij haar uitrustten. Op hen richtte hij zijn camera.

Struths generatiegenoot Thomas Ruff heeft deze omweg niet nodig. Hij fotografeerde mensen - vrienden, bekenden, collega's - tegen een witte achtergrond in hetzelfde steriele licht als in het Hamburger Bahnhof hangt. Zonder schroom kun je er hier twee uitvergroot bekijken, tot aan de contactlenzen van de een en de fijne rimpeltjes van de ander toe. Alleen wat ze denken kun je niet zien. Wat is er in hun ziel voorhanden?

De grote kleurenfoto's van Ruff en Struth hangen vlak voor de ingang van de Amerikaanse zaal. Op de achterwand daarvan hangt Warhols reusachtige Mao uit 1973, de Mona Lisa van dit museum.

Mystieke waarheden

Voorlopig vormen de oudere werken het hoogtepunt van het museum. Marx kocht ze toen de makers al beroemd waren. Verrassend is zijn keuze niet: Beuys en Warhol zijn de pijlers van de collectie, die bijna uitsluitend werk van Duitsers en Amerikanen bevat. Marx wedde op een paar paarden, waardoor een groot aantal anderen ontbreekt, zelfs als men denkt dat alleen Amerikanen en Duitsers goede kunst kunnen maken. Van Gerhard Richter en Sigmar Polke kocht Marx bijvoorbeeld niets. Daar staat tegenover dat hij van de kunstenaars die hij wel volgde, veel werk kan laten zien. Van Beuys, aan wie een vleugel van het museum is gewijd, bezit Marx bijvoorbeeld vier grote installaties en negen kleinere werken. Een van de grote installaties, Unschlitt/Tallow (talg) uit 1977 is nog niet in het museum aangekomen. Marx gaf het in 1982 met een aantal andere werken in bruikleen aan het toen nieuwe Museum Abteiberg in Mönchengladbach. Volgens dit museum is de installatie, die uit grote blokken stearine bestaat, te kwetsbaar om te vervoeren. De opbloei van Berlijn laat in het Roergebied wel meer leegtes achter; veel galeries vertrekken uit Keulen en Düsseldorf om zich in de nieuwe hoofdstad te vestigen. De Nationalgalerie bracht in het Hamburger Bahnhof ook nog het Beuys Media-archief onder, waarin alle films van en over Beuys verzameld moeten worden. Het archief is in het museum via computers te raadplegen. Het heilige ontzag waarmee Beuys door filmers en interviewers wordt benaderd, komt het respect voor zijn werk niet ten goede. In de catalogus wordt iets te vaak het woord 'redden' gebruikt. Wie na lezing Beuys' werk ziet, wil door zijn vilt en zijn schoolborden helemaal niet gered worden. Dan is Bruce Nauman, in de collectie met drie mooie werken vertegenwoordigd, bescheidener. In 1967 schreef hij in neon: 'The True Artist Helps The World by Revealing Mystic Truths', woorden die nu in museum Kröller-Müller te zien zijn. Naumans commentaar: deze zin is waar en onwaar tegelijk.

Een troef van het museum zijn de collecties vroege tekeningen van Beuys en Warhol. Bij Beuys gaat het om de door hemzelf samengestelde groep Secret Block for a secret person in Ireland, die 456 tekeningen uit de periode 1950-1976 bevat. Van Warhol zijn er de bekende lichtvoetige schoenen en engeltjes uit begin jaren vijftig te zien, maar ook bladen uit verrukkelijke portfolio's, bijvoorbeeld een met recepten voor rare gerechten als Baked Hawaiï, maar ook voor gekookte eieren. In beeld en tekst komt Warhols fascinatie voor vaste formules al tot uitdrukking. Hier gaat hij ze nog te lijf met milde ironie; later zal hij ze rechtstreeks in het gezicht van de kijker slaan.

De Belgische schilder Luc Tuymans (1958) zei een jaar geleden in een interview dat zijn generatie een extreem gebrek aan ervaring had en een overvloed aan beelden. Ze had veel gezien, maar weinig meegemaakt. De Engelse kunstenaar Douglas Gordon (1966) maakt geen onderscheid meer tussen zien en meemaken; beide zijn voor hem van dezelfde orde. Beide kunstenaars zijn niet in de collectie van het Hamburger Bahnhof opgenomen (al houdt Tuymans er deze maand wel een lezing), maar Andy Warhol, de eerste kunstenaar die de in deze eeuw alsmaar wassende beeldenstroom tot onderwerp maakte, wel. Warhol zal zijn ereplaats in dit museum voor het heden waarschijnlijk niet snel hoeven opgeven. Het is een gelukkig toeval dat Marx' grootste Warholwerk een portret van een politiek leider is en niet van een filmster. Het portret van Mao wint op deze plaats bepaald aan waarde. Nog geen tien jaar na de val van de muur aanbidt Berlijn, op slechts een paar meter afstand van die voormalige muur, een communistisch leider. Warhol laat zien dat het niet uitmaakt waarom iemand beroemd is, het feit dat hij het is is genoeg om hem te aanbidden. Het enige gezicht dat op deze plek de nivellering door de roem zou kunnen weerstaan is waarschijnlijk dat van Hitler.

Waterdruppel

Het werk van Warhol hangt samen met dat van drie andere Amerikaanse jaren-zestig grootheden in een speciaal gebouwde hal. In de rest van het museum is geen chronologie aangehouden en er is geen route voorgeschreven. Op de dag van de opening verliest een jongen zich in het neonblauw en -groen van Dan Flavin, zien een moeder met kind Bruce Nauman eindeloos en in slow motion een kop koffie omgooien, aait een man een hert voor een grijs gordijn van Maria Eichhorn dat niets verhult dan een witte muur en kunnen allen zich laten weerspiegelen in een waterdruppel van Bill Viola. Toch brengt dat hun ziel niet dichterbij.

In de film Der Himmel über Berlin van Wim Wenders (1987) speelt een scène zich af in een door de stad rijdende metrowagon. De camera rijdt langs de passagiers en neemt ze stuk voor stuk op. Eindelijk gebeurt daar dan iets wat niet kan: we horen wat al die mensen, verzameld in die ene wagon, denken. Helaas is wat de mensen denken volgens Wenders niets bijzonders: verloren liefdes, verlaten landen, verwaarloosde carriéres - uiteindelijk wil je toch liever niet horen wat in deze zielen voorhanden is. De hoofden van onbekende anderen zijn kennelijk alleen met gemeenplaatsen te vullen.

Het Hamburger Bahnhof wil een modern museum zijn. Volgens de directeur van de Nationalgalerie gaat het uit van het 'open kunstbegrip' van Beuys, die hij de 'goeroe' van het museum noemde. Voorlopig is daar echter weinig van te merken. Kunst en leven zijn in het Hamburger Bahnhof meestal keurig van elkaar gescheiden. Soelaas moet de 'Aktionsraum' bieden, waar kunstenaars die tot nu toe ongewone middelen aanwenden hun werk kunnen presenteren. Voorlopig gaat het vooral om het geven van concerten en het vertonen van films. Op het programma staan onder meer films van Andy Warhol en Matthew Barney, maar ook van minder met dit medium geassocieerde kunstenaars als Sigmar Polke en Richard Serra. De Aktionsraum wordt ingewijd met films en video's van Peter Fischli en David Weiss. Het laatste videowerk van dit Zwitserse duo, gemaakt voor de honderdste Biennale van Venetië, duurt in totaal tachtig uur en speelt zich af op dertig beeldschermen tegelijk. Op de schermen is te zien wat Fischli & Weiss in en om hun woonplaats Zürich zoal voor de voeten kwam: spelende hondjes op een landje, een bakker die een taart bakt, een vliegveld, een sportclub, een autoweg, schapen aan de rand van een meer, een meisje dat in een verlaten restaurant een ijsje eet. De visuele gemeenplaatsen zijn zo rijk geschakeerd dat de ziel er van moet zuchten, nadat hij gelachen heeft en gehuild en herkend, steeds maar weer herkend op dit portret van iedereen. Ik heb het niet gezien - alle tachtig uur bekijken is onmogelijk, maar het is niet uitgesloten dat ook een museumbezoek op de video is opgenomen. Denken is hier zien geworden.

    • Bianca Stigter