Een agitator op het Plein

Relus ter Beek: Manoeuvreren. Herinneringen aan Plein 4. Balans, 271 blz. ƒ 39,50

'Excellentie, weet u dat wel zeker, hebben we wel genoeg mensen en geld om met zoveel materieel ons defensie-apparaat op te zetten?' Zoiets moet de adjudant van de toenmalige minister van oorlog, Staf, in de vroege jaren vijftig eens geschrokken aan zijn baas hebben gevraagd toen deze grote hoeveelheden goedkoop of zelfs gratis materieel van de VS aannam. 'We nemen wat we kunnen krijgen, de rest zien we later wel', zou de latere landschapsdeskundige Staf (Heidemaatschappij) hebben geantwoord. De Koude Oorlog was begonnen, de angst voor de Sovjet-Unie had zelfs tot plannen voor een Navo-macht van 75 divisies geleid.

Die plannen gingen niet door, maar Stafs geslaagde Hollandse acquisitie had uiteindelijk wèl de basis gelegd voor een structureel probleem: Den Haag had 'een Amerikaans leger door een verkleinglas', zoals het in de jaren zestig en zeventig spottend zou gaan heten, maar kon de rekening daarvoor zelf later niet meer betalen. Daardoor bleef de spanning tussen aspiraties, taken en middelen voortdurend een kenmerk van de Nederlandse defensie-inspanning. In 1968 bijvoorbeeld publiceerde de toenmalige minister, Den Toom (VVD), een Defensienota, waarover in de wandeling werd gezegd dat de boodschap was: 'De patiënt (Defensie) is overleden, was getekend de behandelend geneesheer (Den Toom)'. In 1974 moest de eerste PvdA-minister aan Plein 4 in Den Haag, Vredeling, met zijn Defensienota een volgende sanering ondernemen. Daaraan waren een rapportage van de 'nationale' commissie-Van Rijckevorsel en een ongewoon fel en lawaaiig 'generaalsconflict' over een aangepaste inrichting (verkleining) van de krijgsmacht voorafgegaan. In de jaren tachtig werd de veiligheidsdiscussie weliswaar beheerst door de rakettenkwestie, die voor de PvdA mede (maar vergeefs) dienst deed als laatste poging alsnog het christen-democratische centrum van de Nederlandse politiek te splijten, maar de 'krimp' op Defensie bleef doorgaan. Vertrouwd decor: de PvdA en partijen verder naar links wilden steeds bezuinigen, de VVD stond pal, D'66 had als voortzetting van de Vrijzinnig-democratische Bond op dit stuk steeds problemen met roergangers als Van Mierlo en Terlouw, het CDA zette de kraag op en deed een pleister voor de mond, en er waren steeds fricties met de Navo en tussen de ministeries van buitenlandse zaken en van defensie.

Zogezien lijkt de eergisteren verschenen terugblik van Relus ter Beek op zijn 1749 dagen ministerschap op Defensie (1989-1994) weinig verrassends te kunnen bieden. Maar dat lijkt maar zo, want zijn in Manoeuvreren, Herinneringen aan Plein 4 beschreven jaren van verdere bezuiniging, sanering, interne strijd en politiek touwtrekken waren toch principieel anders. De vroegere FJG'er, langjarige buitenland-woordvoerder van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer en huidige commissaris van de Koningin in Drenthe moest op zijn ministerie immers nog iets heel anders, iets heel nieuws doen. Toen hij najaar 1989 zijn gang naar Defensie maakte - hij was liever naar BZ gegaan - was de communistische vijand in het Oosten al op weg naar de uitgang. In plaats van op verdediging moest Defensie voortaan het accent leggen op snelle reactie-eenheden voor VN-vredeshandhaving in een wereld waarin regionale conflicten een nieuwe gruwelijke kwaliteit kregen. Ter Beek moest méér dan alleen fiks bezuinigen, hij moest tegelijkertijd de krijgsmacht herstructureren en de dienstplicht afschaffen. En dat terwijl zijn politieke vrienden in de Tweede Kamer en in het kabinet, ook vice-premier Kok, zoals Ter Beek klaagt, meer belangstelling hadden voor de omvang van zijn bezuinigingen dan voor de nieuwe concepten en argumenten waarvoor hij aandacht vroeg. 'Een onsje meer' begrip had hij van zijn politieke vrienden best willen hebben, schrijft hij daarover. Zoals hij voor politieke noodzaak van herstructurering en koerswijziging vooral in de eerste twee jaar van zijn ministerschap in het algemeen weinig steun krijgt van de 'balken en sterren' in de defensietop. Zó gek was dat trouwens ook weer niet, want als frontrunner in de groep jongere PvdA'ers, die in de jaren zeventig en tachtig de partij van Jacques de Kadt en Max van der Stoel op veiligheidsgebied een andere gedaante en zichzelf meer gewicht gaven, terwijl partijchef Joop den Uyl ook daar het adagium 'de meeste neuzen tellen' praktizeerde, mocht Ter Beek aan het Plein op enig wantrouwen rekenen. Hij blijkt daarvoor, en dat siert hem, wel begrip te hebben gehad. Hij had graag nog een volgende periode op Defensie gekregen, maar lijkt te begrijpen dat hij daarop als 'gebrand kind' en als PvdA'er in de paarse coalitie van 1994 geen kans had. Dat siert hem ook.

Nog nooit heeft een Nederlandse minister van defensie zo'n schriftelijke 'inkijk' aangaande de eigenaardigheden van zijn ministerie en de krijgsmacht en de werking van het politieke krachtenveld daaromheen gegeven. Op onderdelen had die inkijk wel wat beknopter mogen zijn. Want of de lezer nu werkelijk zo uitvoerig moet worden ingelicht over de grote vaardigheden en voortreffelijke karaktereigenschappen van al die opper-, hoofd- en subalterne officieren, chauffeurs, voorlichters, secretaresses en kamerbewaarders met wie Ter Beek in zijn vijfjarige avontuur op Defensie te maken had, mag de vraag heten.

Af en toe zou je als lezer, in plaats daarvan, wel wat meer hebben willen weten over wat er op veiligheidsgebied in de PvdA en elders omging sedert 1970. Of, desnoods, sinds 1989. Maar ja, een mens kan niet alles hebben, daarvan lijkt A.L. ter Beek zelf ook doordrongen. Zijn ageren is in 1989 manoeuvreren geworden. Onbedoeld (?) documenteert hij hoe CDA-minister Van den Broek op Buitenlandse zaken zó vaak dwars lag jegens zijn plannen dat hij als het ware een beste bondgenoot werd bij het moeizame overtuigingswerk in de PvdA. Mooi anekdotisch vertelt Ter Beek soms. Wie wist bijvoorbeeld dat de kortstondige Oostduitse minister van defensie Eppelmann graag IKV's Mient-Jan Faber als adviseur had willen hebben? Kortom: andere oud-ministers mogen Ter Beeks geschreven voorbeeld volgen.

    • J.M. Bik