Dialectiek in een republikeins koninkrijk

Wantje Fritschy & Joop Toebes (red.): Het ontstaan van het moderne Nederland. Staats- en natievorming tussen 1780 en 1830. SUN, 255 blz. ƒ 39,50

Henk te Velde & Hans Verhage (red.): De eenheid & de delen. Zuilvorming, onderwijs en natievorming in Nederland, 1850-1900. Het Spinhuis, 204 blz. ƒ 42,50

Toen twee jaar geleden bleek dat de tekst in het nieuwe Nederlandse paspoort geen aandacht besteedde aan de geschiedenis van Aruba, was de Tweede Kamer in rep en roer. GroenLinks-politicus Rosenmöller stelde vragen en noemde het feit dat het 'nationaal prentenboek', met afbeeldingen en tekstfragmenten uit de vaderlandse geschiedenis, het voormalig overzeese rijksdeel negeerde 'erg verkeerd en vervelend'. Hij oogstte instemming van het gehele parlement, extreem-rechts uitgezonderd. De fout werd door de verantwoordelijke staatssecretaris meteen gecorrigeerd.

Dat het reisdocument nauwelijks een verwijzing bevat naar de Nederlandse geschiedenis tussen 1795 en 1813, bleef onopgemerkt, en zou, indien wel gesignaleerd, waarschijnlijk voor minder ophef hebben gezorgd. Die periode wordt namelijk door lang niet iedereen als vaderlands beschouwd en derhalve liever aan buitenlandse geschiedschrijvers, zoals Simon Schama, overgelaten. Troepen van een vreemde mogendheid hielden ons land onder controle, terwijl de heroïek van het verzet toen ontbrak die de Duitse bezettingstijd tussen 1940 en 1945 nog enig nationaal aanzien gaf. De Franse soldaten waren immers onder luid applaus van burgers, die zich patriotten noemden, in ons land gelegerd. Nederland kreeg een Franse koning en moest de leiding van het huis van Oranje ontberen. 'En in de Oranjemythe was een periode zonder vorstenhuis per definitie een duistere periode', schrijft de Utrechtse historicus Renger de Bruin in Het ontstaan van het moderne Nederland.

Hij en andere historici leverden een bundel opstellen af die niet alleen opvalt door haar anti-orangistische ondertoon maar ook door de soms onverbloemde bewondering voor republikeinse politici als Isaac Jan Alexander Gogel. Volgens de negen auteurs, historici van diverse universiteiten, maakten politici zoals Gogel van de los-georganiseerde federatie een tamelijk professioneel geregeerde eenheidsstaat.

Dat Franse bajonetten stimulerend werkten op de totstandkoming van een nationale vertegenwoordiging, een nationale bureaucratie en een nationale dienstplicht, mag waar zijn, maar is volgens de auteurs niet het hele verhaal. De stelling van Het ontstaan van het moderne Nederland is namelijk dat ook onafhankelijk van de Franse inmenging, Nederlanders hun land moderniseerden. Bovendien plaatsen de auteurs kritische kanttekeningen bij de 'nationale' papieren van de Oranjes. Had bijvoorbeeld Willem V, de laatste stadhouder, niet veelvuldig zijn oor te luisteren gelegd bij de hertog van Brunswijk?

Het bekendste voorbeeld van Nederlands republikanisme is het pamflet dat de Overijsselse landjonker Joan Derk van der Capellen, heer Tot Den Pol, Aan het volk van Nederland richtte. In 1781, acht jaar voor de Franse revolutie en veertien jaar voor de Franse inval, formuleerde hij een pleidooi voor een vertegenwoordigende democratie. 'Verzamelt u elk in uw steden en ten platte landen in uw dorpen. Komt vreedzaam bijeen, en kiest uit uw midden een matig aantal goede, deugdzame, vrome mannen, kiest goede patriotten waarop ge vertrouwen kunt.'

Toch lukte het patriotten als hij niet vóór de komst van de Franse troepen een eigen omwenteling te bewerkstelligen. De federalistische tegenkrachten uit de gewesten, die het streven naar een 'één en ondeelbare natie' afwezen, bleken te sterk. De laatsten werden daarbij waar nodig bijgestaan door Engeland, dat Willem V hielp terug te slaan tegen de patriotse rebellen. Het vermolmde bouwwerk van het federalisme moest met de militaire kracht van een andere grootmacht worden neergehaald.

Maar ook toen de Fransen waren gearriveerd, lieten ze het betere sloopwerk over aan patriotse politici. Zelf waren ze, ter financiering van hun oorlogen, meer geïnteresseerd in de rijkdommen van de regenten. Een centrale politiemacht en belastinginning waren daaraan dienstig. De rest van de bestuurlijke innovaties, zoals uitbreiding van het stemrecht, invoering van de scheiding tussen kerk en staat, en afschaffing van de adellijke titels, werd grotendeels aan de binnenlandse bestuurders overgelaten.

Bovendien draaide Napoleon enkele jaren later een deel van die vernieuwingen terug, om rijke regenten vriendelijk te stemmen en een 'schenking' van drie miljoen gulden los te krijgen. Ook stuurde hij zijn broer Lodewijk-Napoleon op Nederland af om als koning het land verder vet te mesten tot melkkoe, een poging die door onafhankelijk gedrag van broerlief overigens maar half lukte.

Nadat bij Waterloo de Franse troepen waren verslagen, zeilde in 1813 Willem I van Oranje op een Brits schip (hoezo nationaal koningshuis?) de haven van Scheveningen binnen. Hij realiseerde zich echter dat de tijden veranderd waren. Willem liet de nieuwe staatsinrichting intact, stelde zich onafhankelijk op tegenover oranjegezinde politici als baron W.F. Roëll, die hij op een zijspoor zette, en gedroeg zich als modern leider door actief in te grijpen in het sociaal-economisch leven. Toch duurde het nog twee jaar voordat hij het - gezien de lange republikeinse traditie - aandurfde zich tot koning van de unie van noordelijke en zuidelijke Nederlanden te laten kronen, de staatsvorm die op het congres van Wenen was afgesproken.

Willem I krijgt in de bundel het verwijt de Unie door ontactisch gedrag te hebben laten exploderen. Volgens enkele auteurs presenteerde hij het verbond van noord en zuid teveel als een uitbreiding van de noordelijke Nederlanden. Daarmee gaf hij, ondanks zijn talrijke subsidies aan de zuidelijke textielindustrieën, dat deel van de nieuwe staat een tweederangsgevoel.

Onvermijdelijk was de Belgische Opstand van 1830 dan ook niet, zo luidt een boeiende, maar tevens aanvechtbare stelling in de bundel. Cultureel waren de twee delen door een actieve taal- en onderwijspolitiek flink naar elkaar toegegroeid, zo stellen de auteurs ter verdediging van hun these. Europa zou wel meer geconstrueerde staten krijgen, zoals Duitsland en Italië. Maar daar staat tegenover dat de economische belangen van de textielfabrikanten in het welvarende zuiden (protectie) en de handelaren van het noorden (vrijhandel) juist ver uit elkaar lagen. Ook was, ondanks de actieve cultuurpolitiek van Willem I, een flink deel van de zuidelijke bourgeoisie nog steeds op Frankrijk georiënteerd.

Eén van de grieven van de Belgische opstandelingen was de onderwijspolitiek van Willem I, een belangrijk instrument in zijn poging noord en zuid aan elkaar te klinken. Zijn pogingen een gemeenschappelijke taal en perceptie van de eigen geschiedenis ingang te doen vinden, strandden echter op het zelfbewustzijn van de liberale boven- en middenklasse in het zuiden. Katholieke gelovigen namen bovendien aanstoot aan de reorganisatie van de priesteropleidingen. Een en ander inspireerde liberalen en katholieken tot een monsterverbond, resulterend in de afscheiding van 1830.

Het was dezelfde onderwijspolitiek die tot aan de grondwetswijziging van 1917 de nationale politiek van het moderne Nederland zou bepalen. Daarvoor waren diverse redenen. Onderwijs bleef ook na 1830 een belangrijk middel om een 'universal high culture' te scheppen, volgens de Britse cultureel antropoloog Ernest Gellner één van de belangrijkste voorwaarden voor de vorming van een moderne natie. De Belgische ervaring had aangetoond dat centralisten daarin konden doorschieten en in zo'n geval het lid op de neus kregen. Van de ruimte die daardoor ontstond, konden op hun beurt maatschappelijke groepen in het Noorden gebruik maken en onderwijsrechten claimen om eigen godsdienstige of politieke redenen. Onderwijs was immers ook een instrument om sociale mobiliteit te bewerkstelligen in een zich snel industrialiserende samenleving. Zo bezien loopt er een rechte lijn van de Belgische opstand naar de verzuiling die de Nederlandse politiek in de negentiende en twintigste eeuw bepaalde.

Waarom de verzuiling de Nederlandse natievorming niet schaadde, maar juist versterkte, is een vraag die wordt beantwoord in De eenheid & de delen. Zuilvorming, onderwijs en natievorming in Nederland 1850-1900. De Lage Landen mochten dan door de Bataafse politici en Willem I van hun ergste federalisme zijn ontdaan, dat betekende niet dat aanhankelijkheid aan de jonge staat voor elke bevolkingsgroep een vanzelfsprekende zaak was. Wat te denken van de katholieken, met hun loyaliteit aan Rome? Of de inwoners van Limburg, na omzwervingen door talrijke staatkundige constructies ook wel Klein-Spanje genoemd?

Jonge historici en andere wetenschappers zoeken het antwoord in de gebeurtenissen in de tweede helft van de negentiende eeuw. Enkele decennia na de Belgische opstand, deed de liberaal Kappeyne van de Copello opnieuw een poging tot centralisatie. Hij greep, net als Willem I, te ver en te diep. Zijn uiteindelijke schoolwet van 1878 legde christelijke scholen met allerlei kwaliteitseisen dusdanig aan banden, dat ze een politiek-religieuze reactie provoceerde.

Nadat protestanten en katholieken hun bezwaren in een massaal ondertekend petitionnement hadden neergelegd bij de koning, die zich ongevoelig toonde voor hun bezwaren, brak bij christelijke voorlieden het besef door dat ze zelf invloed moesten gaan uitoefenen op de staats- en onderwijsinrichting. Ze dienden daartoe nationale partijen op te richten, zoals Abraham Kuyper in 1879 met de Anti-Revolutionaire Partij deed. 'Om de eigen identiteit te kunnen waarborgen, om met de andere zuilen-in-opbouw in de pas te blijven en om uit de verstikkende greep van de 'moderne staat' te blijven, dienden zuilen vertegenwoordigd te zijn op het niveau van de staat', schrijven Te Velde en Verhagen, de samenstellers van de bundel.

Terecht besteden de auteurs de nodige aandacht aan de reactie van de katholieken op de schoolwet. Die hadden immers het meest last van een dubbele loyaliteit. In Duitsland was er niet voor niets een 'Kulturkampf' uitgebroken tegen de 'vaterlandslose Römlinge', zoals in een aparte beschouwing over de oosterburen wordt geconstateerd. Dat de Nederlandse katholieken uiteindelijk toch voor Den Haag kozen en niet voor Rome, was omdat ze geen keus hadden. In reactie op de moderne staatsvorming was Rome zelf begonnen haar losjes georganiseerde apparaat te centraliseren. Dat leverde talloze conflicten op tussen Vaticaanse functionarissen enerzijds en plaatselijke bisschoppen en andere katholieke gezagsdragers anderzijds. Voor de katholieken in Nederland, ook die in Limburg, werd het daarom veel aantrekkelijker te participeren in verzuilde organisaties waarbinnen de bisschoppelijke bevoegdheden veilig waren voor Vaticaanse invloeden. Deze ontdekking deed ook de katholieken, eindelijk, uit hun langdurige 'slaperige onverschilligheid' ten opzichte van de Nederlandse natie ontwaken.

Onlangs verweet de anti-revolutionair Enneüs Heerma de paarse coalitie met afgedwongen schaalvergroting in het onderwijs en commercialisering van de zorgsector, de nationale identiteit uit te hollen. Daarmee betoonde de CDA-politicus zich een Kuyperiaan pur sang die zorgvuldig waakt over de 'soevereiniteit' van de 'eigen kring'. De vaderlandse geschiedenis van de laatste twee eeuwen leert echter dat die identiteit telkens meeveranderde met de verhouding tussen centralisten en particularisten. Niet de scheidslijnen tussen de staat en religieuze of andere groepen, maar de permanente dialectiek daartussen vormde de nationale identiteit, waarover Heerma zich zorgen maakte.