De sneeuw kleurt langzaam rood; Joel en Ethan Coen, meesters van de zwarte filmkomedie

Lijken stapelen zich in de films van Joel en Ethal Coen even snel op als in een Shakespeare-tragedie, en het bloed vloeit waar het maar gaan kan. In hun nieuwe film Fargo spelen boeven en moordenaars weer de hoofdrol, maar ze zijn zo onbeholpen dat het niet moeilijk is om met ze mee te leven. “Als de kleine man te veel wil, en de Amerikaanse Droom zich tegen hem keert, staat hij binnen de kortste keren tot zijn enkels in het bloed.”

In een slecht verlicht kantoor zit een man levenloos in zijn stoel; uit een schotwond in zijn borst loopt een straaltje bloed op de grond. Een andere man komt het vertrek binnen en schrikt. Hoewel hij niets met de misdaad te maken heeft, meent hij een goede reden te hebben om zowel het lijk als de bloedsporen te laten verdwijnen. Hij trekt zijn jasje uit, verfrommelt het, en doet een even manmoedige als onbeholpen poging om de kleverige plasjes op te dweilen. Zonder veel effect - al was het alleen maar doordat het ogenschijnlijk dode lichaam gestaag blijft bloeden. (Blood Simple, 1984)

Als een man op een ochtend uit onrustige dromen ontwaakt, ziet hij voor zijn ogen een mug dansen. Het insect daalt neer op de arm van een halfnaakte vrouw die met haar rug naar de man toe ligt te slapen. Heel even wordt er op de stekende mug ingezoomd; dan slaat de man het beestje dood. De klap is hard, de mug is een rode vlek, maar de vrouw geeft geen krimp. Wanneer de man haar probeert wakker te schudden, valt ze dood naar hem toe. Haar lichaam is bewerkt met een mes, de lakens aan haar kant zijn doorweekt van het bloed. (Barton Fink, 1991)

Op het besneeuwde erf achter een blokhut buigt een dikgeklede man zich over een lawaaiige machine, die iets weg heeft van een buitenmodel gehaktmolen. Het is een houtversnipperaar, die door de man met log materiaal gevoed wordt. Pas als de camera een omtrekkende beweging maakt, zien we wat de man met twee handen in het toevoergat stopt: een menselijk been, compleet met sok. Een schrapend geluid klinkt over de sneeuwvlakte, en de man drukt met behulp van een boomstam de voet nog wat dieper in het gat. Aan het andere eind van de machine worden de resten uitgespuwd. De sneeuw kleurt rood. (Fargo, 1996)

Dit zijn geen fragmenten van splatter movies uit de cultvideotheek, maar sleutelscènes uit het oeuvre van Joel en Ethan Coen, meesters van de zwarte komedie en verslaggevers uit de hel van het gewone Amerikaanse leven. Sinds ze halverwege de jaren tachtig debuteerden met de film noir-hommage Blood Simple, maakten ze vijf films die opvielen door uit- en eigenzinnigheid, en door het zichtbare plezier waarmee klassieke genres nieuw leven werd ingeblazen. Zo varieerden ze in The Hudsucker Proxy op de jaren-veertigkomedie in Frank Capra-stijl; met Miller's Crossing creëerden ze een gangsterfilm die voor negentig procent bestaat uit dialogen; en hun laatste film Fargo, die onlangs in Nederland in première ging, is een combinatie van true crime-drama en misdaadkomedie.

Vijfling-baby

Het bloed vloeit waar het maar gaan kan in de films van Joel Coen (scenario en regie) en zijn jongere broer Ethan (scenario en productie). Boeven en moordenaars spelen een hoofdrol in hun beste werk, en de lijken stapelen zich even snel en achteloos op als in de gemiddelde Shakespearetragedie. Zelfs het vederlichte Raising Arizona, waarin misdadigers van alle gezindten jacht maken op een vijfling-baby, wordt beheerst door geweld en onderdrukte gruwel - misschien niet verwonderlijk voor een film waarin de voice-oververteller als credo opgeeft: 'Wraak is de enige reden die er toe doet.'

'American gothicists' zijn de gebroeders Coen wel genoemd. Maar hoe gretig de botte bijl in hun films ook gehanteerd wordt, het geweld is altijd verteerbaar. Niet alleen doordat het 'functioneel' is - een populair begrip in de jaren dat Joel (1955) in New York op de filmacademie zat en Ethan (1958) filosofie studeerde in Princeton - maar vooral doordat het verlucht wordt met humor en absurdisme. De kijker gruwt misschien van een scène waarin een gelegenheidsmisdadiger met veel geklungel zijn zwaargewonde baas levend begraaft; maar hij of zij zal ongetwijfeld grinniken wanneer de doodgraver-tegen-wil-en-dank niet lang daarna een wc binnengaat waar op een bordje te lezen is: 'Alle werknemers dienen hun handen te wassen alvorens het werk te hervatten.'

Het oeuvre van de gebroeders Coen zit vol met subtiele grapjes en pijnlijk-komische situaties. Neem Fargo, het losjes op feiten gebaseerde verhaal van een autohandelaar in Minnesota die zijn echtgenote laat ontvoeren om zijn rijke schoonvader losgeld afhandig te maken. Zeven doden tellen we op het eind van de film, als het plan na een dominoval van gestuntel uit de hand is gelopen; maar toch hebben we minder gehuiverd dan gelachen. Om het beeld dat gegeven wordt van de Scandinavisch-Amerikaanse gemeenschap in ijskoud Minnesota, waar gesprekken voornamelijk bestaan uit verschillend geïntoneerde 'yahs' en 'uh-huhs'. Om de aartsnuchtere en hoogzwangere politieagente die de moordzaak ontrafelt tussen de smörgäsbords door. Of om de machteloze woedeuitbarsting van een van de ontvoerders tegen een parkeerbeambte (“Big fucking man. (-) Ruler of your little fucking gate here. There's your four dollars. You pathetic piece of shit”).

De kracht van Fargo, maar ook die van de andere Coen-films, ligt in de curieuze personages, die meestal larger than life zijn. De kans dat je ooit iemand ontmoet als Norville Barnes, de supernaïeve fabrieksdirecteur uit The Hudsucker Proxy, is klein; maar wat geeft dat, als zijn eigenaardigheden de film kunnen dragen? Hetzelfde geldt voor de blijmoedige recidivist in Raising Arizona (verslaafd aan het overvallen van supermarkten) of de van zichzelf vervulde titelheld van Barton Fink - een toneelschrijver die zijn mond vol heeft over 'theater voor en door het gewone volk' maar ieder contact met de werkelijkheid verloren heeft.

El Greco

Kassuccessen zijn de zwarte komedies van de Coens nooit geworden. De broers werden overladen met prijzen op filmfestivals en behaalden in Cannes met Barton Fink het ongeëvenaarde aantal van drie hoofdprijzen: de Gouden Palm voor de beste film, de prijs voor de beste regisseur, en de prijs voor de beste hoofdrolspeler (John Turturro). Maar ondanks hun steeds groter wordende budgetten - The Hudsucker Proxy was met 50 miljoen gulden bijna honderd keer zo duur als hun debuutfilm - bereikten ze nooit het grote publiek. In Nederland werd zelfs Barton Fink maar uitgebracht in zes bioscopen; Fargo is de eerste Coen-productie die ook succes heeft buiten het filmhuiscircuit.

Er zijn genoeg redenen te bedenken waarom Joel en Ethan Coen niet behoren tot de bekendste Amerikaanse regisseurs. Zo is ondanks alle humor de wereld die ze schetsen wel erg somber en deprimerend. Hun flamboyante manier van filmen, die gekenmerkt wordt door stijlcitaten, vervreemdende sequenties en camerahoeken waar El Greco jaloers op zou zijn, is duidelijk populairder bij filmfanaten dan bij de gemiddelde bioscoopbezoeker. En, wat misschien nog zwaarder weegt: voor hun films contracteren ze geen Hollywoodsterren. Nicolas Cage speelt de hoofdrol in Raising Arizona, maar dat was jaren voordat hij beroemd werd met Wild at Heart en Moonstruck; Paul Newman heeft een rol in The Hudsucker Proxy, maar dat is een subtiele grap in een film die vol zit met verwijzingen naar de geschiedenis van Hollywood. Gewoonlijk vallen de Coens terug op een vaste kring van karakteracteurs, onder wie Frances McDormand (getrouwd met Joel, en hoofdrolspeelster in Blood Simple en Fargo), John Goodman en John Turturro. Steve Buscemi, met zijn vissenogen en hoekige gelaatstrekken de markantste kop in Hollywood, speelde (komische) bijrollen in drie Coen-films en schittert nu in Fargo als de ratelende derderangsontvoerder die bij kleinste tegenslag al in staat van geestelijke ontbinding begint te verkeren.

Volgens de critici van de Coens is er nog een andere reden waarom de twee gebroeders minder populair zijn dan vergelijkbare Hollywoodregisseurs als Tim Burton en Jonathan Demme. Hun films zouden te afstandelijk zijn, en geen mogelijkheden bieden tot de door het publiek zo verlangde identificatie. De Coens, zo luidt de kritiek, zijn kille ironici die niet veel meer doen dan aan de touwtjes trekken van een aantal onaangename marionetten. Of zoals een Canadese journalist nog een paar maanden geleden schreef: 'ze zijn een stelletje ontaarde sociale wetenschappers die emotieloos hun studieobjecten onder de lens leggen.'

Tragische helden

Het is waar dat je de hoofdpersonen van de meeste Coen-films niet als sympathiek zou omschrijven: wanneer ze zich niet overgeven aan diefstal, moord of overspel, tonen ze zich ten minste arrogant of gevoelloos. Maar dat betekent nog niet dat ze de kijker koud laten. Een goed voorbeeld is Jerry Lundegaard, de door William H. Macy gespeelde autoverkoper in Fargo. Natuurlijk is hij een immorele figuur, die (letterlijk) zijn vrouw zou verkopen om uit de schulden te komen. Hij liegt tegen zijn zoontje, stuurt zijn schoonvader de dood in en is indirect verantwoordelijk voor zes andere moorden. Toch heeft de zenuwachtige, voortstuntelende Jerry onze sympathie; in dat opzicht is hij net als andere tragische helden - Hamlet en Medea zijn ook geen lieverdjes. We zien met hem hoe zijn plannen volledig uit de hand lopen, en hopen tegen beter weten in dat alles uiteindelijk nog goed zal komen.

Nog beklagenswaardiger is Barton Fink, de succesvolle joodse toneelschrijver die in 1941 van New York naar Los Angeles verhuist om zijn bijdrage te leveren aan de filmindustrie. Hij is onuitstaanbaar, met zijn salonidealen en zijn neerbuigende houding tegen de 'gewone' mensen in zijn omgeving. Maar zodra hij begint te vereenzamen in zijn hotelkamer - geplaagd door muggen, loslatend behang en studiobazen die hem dwingen tot het schrijven van een worstelfilmscenario - krijgen we oprecht medelijden met hem. Niemand zou hem de verschrikkelijke dingen toewensen die hij meemaakt, of het nu een venijnig writer's block is, de moord op de enige vrouw in Hollywood die aardig voor hem is, of het ultieme verraad van zijn beste vriend, de volkse gast in de kamer naast hem.

Barton Fink is geen realistische film; het verhaal van de langzaam gek wordende schrijver loopt uit op een horrorscène die herinneringen oproept aan het apocalyptische slot van Nathanael Wests beroemde Hollywoodroman Day of the Locust (in 1975 groots verfilmd door John Schlesinger). Tegelijkertijd is het een film die bewijst hoezeer de Coens begaan zijn met sommige van hun personages. Net als de links-radicale - maar veel minder waarachtige - Barton Fink zijn ze geïnteresseerd in 'de aspiraties en de dromen van de gewone mensen', in de tragikomische verhalen van tot mislukken gedoemde kleine krabbelaars.

Panty

'Sometimes it's a hard world for little things', zegt de hoofdpersoon van de surrealistische komedie Raising Arizona (waarna hij met een panty over zijn hoofd een supermarkt ingaat om luiers te stelen voor de baby die hij en zijn vrouw gekidnapt hebben). Het zou het motto kunnen zijn van het oeuvre van Joel en Ethan Coen. De twee middenklassejongens uit St. Paul, Minnesota laten in hun films zien hoe het hun geestverwanten in de Verenigde Staten vergaat, van Texas tot Californië en van Arizona tot New York. Niet zo best, is de conclusie; als de kleine man te veel wil, en de Amerikaanse Droom zich tegen hem keert, dan staat hij binnen de kortste keren tot zijn enkels in het bloed. Eigenlijk is er maar één Coen-personage dat zijn hooggestemde ambities weet te verwezenlijken, en dat is de onnozele uitvinder Norville Barnes in The Hudsucker Proxy. Maar het zal geen toeval zijn dat deze film is opgezet als een sprookje dat iedere werkelijkheid tart.

En dan is er Marge, de zwangere politie-inspectrice in Fargo. Onverstoorbaar waggelt ze door de sneeuw van Minnesota, als een provinciale Columbo zand in de ogen strooiend van iedere crimineel die haar pad kruist. Marge bereikt uiteindelijk wel wat ze wil: ze arresteert de hoofdschuldigen van de moordpartijen, en kan zich weer met een bord eten onder handbereik naast haar man voor de televisie installeren, wachtend op de baby die binnen twee maanden zal komen. Het is niet moeilijk om te raden welke moraal de Coens ons willen voorhouden: geluk, ja zelfs verlossing, ligt allereerst in tevredenheid met wat je hebt; de enige gezonde ambitie is de allerbescheidenste.

Wie nu kijkt naar Fargo - ondanks het excessieve geweld een troostrijke film - kan niet geloven dat er nog mensen zijn die de Coens beschouwen als emotieloze laboranten. In herinnering komt een klassieke scène uit Barton Fink. Barton is ontboden bij het hoofd van de filmstudio en krijgt te horen wat er van hem als schrijver verwacht wordt. 'We need more heart in motion pictures,' zegt de mogul (net voordat hij Barton aan een worstelscenario zet). 'Kun je ons laten lachen, kun je ons laten huilen? Geef me dat typische Barton Fink-gevoel.'

De man bazelt maar wat; hij maakt er geen geheim van dat hij nog nooit een letter van Barton Fink gelezen heeft. Barton zelf heeft ook geen idee wat de bedoeling is. Maar wij weten inmiddels wel wat met 'dat typische Barton Finkgevoel' bedoeld wordt; het is te zien in Fargo en het is een specialisme van de gebroeders Coen.

Fargo van Joel en Ethan Coen draait in verschillende bioscopen. Alle andere films van de gebroeders Coen zijn te huur in de videotheek.

    • Pieter Steinz