De Nuis-norm

Bijna geruisloos heeft staatssecretaris Nuis in zijn Cultuurnota de Nederlandse orkesten en ensembles een norm opgelegd voor de programmering van Nederlandse muziek. Minstens zeven procent van de tijd dat de musici op het podium zitten, dienen zij te besteden aan het uitvoeren van Nederlands repertoire. Minstens drie procent moet afkomstig zijn van levende componisten. Als de orkesten dit niet doen, krijgen ze minder subsidie.

Natuurlijk reageerden de direct-betrokkenen op de maatregel. De orkesten zijn boos omdat zij dwang verwerpen. Het Geneco, waarin de meeste componisten zijn verenigd, en Donemus, het Documentatiecentrum voor Nederlandse muziek, juichen de maatregel toe, al heeft componistenvoorman Theo Loevendie tegelijkertijd twijfels.

Hoewel de staatssecretaris hiermee een voor het Nederlandse kunstbeleid volkomen nieuwe weg inslaat, is geen brede principiële discussie ontstaan over de vraag of de overheid mag overgaan tot het stellen van zo'n norm. Dat is merkwaardig, want zodra dat beginsel aanstaande maandag door de Tweede Kamer zou worden aanvaard, heeft niet alleen de muziekwereld daarmee te maken. Dan is een nieuw criterium toegevoegd aan het beleids- en beoordelingsinstrumentarium op het hele gebied van kunst en cultuur.

Totnutoe ging het kunstbeleid uit van onthouding van directe bemoeienis met programmering. De overheid richt zich op het stimuleren, eventueel met extra subsidie, van wat algemeen gewenst wordt geacht. Vanaf volgende week wordt dat wellicht afgedwongen met boetes.

De Raad voor Cultuur, op dit gebied het wettelijke adviesorgaan van de regering, heeft daarover een wat dubbelzinnig standpunt. De Raad oordeelt dat de Nederlandse orkesten 'teleurstellend weinig' Nederlandse muziek spelen. De Raad is tegen boetes, maar vindt dat een deel van de orkestgelden moet worden besteed aan een stimuleringsfonds voor het uitvoeren van Nederlandse muziek. Dat komt er toch op neer dat de orkesten eerst geld wordt afgepakt en anderen uiteindelijk gaan beslissen hoe dat wordt gebruikt.

Voor de kunstwereld als geheel kunnen de kwalijke gevolgen van het introduceren van normen en boetes bij de invulling van het artistieke beleid nauwelijks worden overschat. Want waarom zou er wel een norm zijn voor het uitvoeren van Nederlandse muziek door orkesten, en niet een norm voor het uitvoeren van Nederlandse choreografieën door dansgezelschappen en Nederlandse toneelstukken door de theatergezelschappen? Moet er ook niet bij de bibliotheken een norm komen voor het aantal aan te schaffen boeken met Nederlandse literatuur en het aantal uitleningen daarvan? Dienen musea niet vooral Nederlands werk te exposeren?

Voorlopig is er op muzikaal gebied nog geen sprake van een onverbiddellijke verplichting. Als er te weinig of in het geheel geen Nederlandse muziek wordt gespeeld, komt de muziekpolitie niet de zaal in om de orkesten daartoe te dwingen. Bij het achteraf controleren van de muziekboekhouding wordt in dat geval de subsidie verminderd. Orkest en dirigent worden zeker nog niet ontslagen of in de gevangenis gezet.

Maar het formele verschil tussen drang en dwang is toch al overschreden door een strafkorting op de subsidie, waarvan de orkesten sterk afhankelijk zijn. Om zich te wapenen tegen de gevolgen van kortingen dreigt in navolging van de 'calculerende burger' nu het verschijnsel 'calculerend orkest' te ontstaan. Men kan besluiten het niet-halen van de 'Nuis-norm' af te kopen door het dan maar met minder subsidie te stellen of elders te bezuinigen. Helemaal desastreus is de hoogte van de boete immers niet: vijf promille voor elk procent onder de zeven. Als het Rotterdams Philharmonisch Orkest met 4,8 miljoen gulden rijkssubsidie geen minuut Nederlandse muziek speelt, is het 168.000 gulden kwijt.

Een orkest kan zelfs menen dat door het uitvoeren van alleen niet-Nederlandse populaire muziek de zaal juist extra vol zit of de entreeprijzen kunnen worden verhoogd. Of men kan extra sponsoring zoeken voor niet-Nederlandse muziek. Als er dan ondanks de 'Nuis-norm' inderdaad nog steeds te weinig Nederlandse muziek wordt uitgevoerd, zal de discussie zich al snel richten op het tegengaan van deze 'kunstfraude': veel hogere boetes, èchte verplichtingen.

Al ver voor dat stadium zal een felle discussie zijn ontstaan over de vraag of de normen van zeven en drie procent niet te laag zijn. Moeten de jongeren onder de levende componisten niet positief worden gediscrimineerd? En tot welke leeftijd is men een 'jonge' componist? Moeten onder de jongeren niet vooral de talentvollen worden gestimuleerd? En wie bepaalt wat talentvol is? Of moeten juist de minder talentvollen worden gesteund, zodat zijn hun talent beter kunnen ontwikkelen?

Zo dreigt op alle gebieden een eindeloos touwtrekken over hoe gedetailleerd de overheid regels mag stellen voor de praktijk van de kunst. En dat terwijl dit kabinet zelf een heel ander beleidsdoel heeft: deregulering.

Moet er dan niet meer Nederlandse muziek klinken? Mogelijk, maar dan wel omdat artistiek leiders en musici dat zelf van belang vinden. Componisten willen toch niet vooral uitgevoerd worden omdat het van de overheid moet?

    • Kasper Jansen