De naam is Hendrik

Hendrik de Vries heb ik leren kennen op 25 of 26 november 1960, in Den Haag. Er werd daar (ik weet niet meer in welk gebouw) een conferentie gehouden over literaire polemiek. Markante persoonlijkheden, Anton van Duinkerken, H.A. Gomperts, Evert Straat, hielden een referaat (ik weet niet meer waarover), en ikzelf (ik weet niet meer hoe) was voorzitter en discussieleider.

Ik zou de conferentie vergeten zijn, zoals alle conferenties, wanneer ik De Vries niet had leren kennen. De deelnemers (ik weet niet meer hoeveel) waren literatoren, interessante mensen, bereid tot welwillende discussie over polemiek, keurig. De Vries, het genie onder ons, zag ik voor het eerst in een lange loden jas en met een alpinopet op. Een vrij kleine, schrale man die mij deed denken aan een krantenverkoopster in winters Parijs.

Tijdens een pauze of na een of andere afloop kreeg ik gelegenheid hem te vertellen hoeveel liefde en bewondering ik had voor zijn poëzie, in het bijzonder voor zijn grote bundel Tovertuin. Hij stelde voor dat we elkaar zouden tutoyeren. Ik was daar gelukkig om. Hij was van de generatie van mijn ouders en had in recensies laten blijken dat hij weinig voor míjn gedichten voelde. Ik zei dus Hendrik.

“Je mag hem geen Hendrik noemen”, zei zijn vrouw die Riek heette, “hij heet Rolf.”

Ik zal verbaasd hebben gekeken.

“Hendrik is te koud”, zei ze, “Rolf past beter bij de kleur van zijn gedichten.”

Mijn wereld stortte in. De schuwe dichter van een wild, wreed, bezeten oeuvre, die ik mijn lezend leven lang onder de naam Hendrik de Vries had geëerd, zou ik Rolf moeten noemen? Rolf! De vrouw had zijn naam gewijzigd naar bakvissensmaak, de dweepster, en hij, de sukkel, had het laten gebeuren. Ik hield het verder, denk ik, op 'Hallo'.

Hij klaagde, en dat was te billijken, want aan zijn werk als dichter en schilder werd weinig aandacht besteed, en als poëziecriticus had hij, fel tegen de Vijftigers, weinig respons meer. De conferentie verliep. Hij nam pas het woord aan het slot van de discussie. Zijn bijdrage bestond uit een lange voordracht, uit het hoofd, van Bilderdijk, dreunende alexandrijnen, in razend snel Gronings uitgesproken.

Het Vrije Volk was een krant met vele edities. Hendrik de Vries had als recensent van schilderkunst, ballet, poëzie meegewerkt aan de Groningse. Ik was kunstredacteur van de Rotterdamse, de grootste. Er was een mooi nieuw gebouw aan de Slaak, met een zaal erin voor tentoonstellingen en lezingen, tot nu toe weinig gebruikt.

Ik besprak met de directeur van het Rotterdamse bedrijf de mogelijkheid Hendrik de Vries er te laten exposeren en voorlezen. Het kwam ervan. Alles werd (niet door mij) voor hem geregeld en hij kreeg onderdak in het goede hotel Regina. Voor de lezing werd hij betaald. Het moet in de eerste maanden van 1961 zijn geweest. De onderneming was geen succes. Verkocht werd er niets, voorzover ik weet, en naar de lezing kwamen weinig mensen, hoezeer de krant zijn best had gedaan. Gelukkig misschien. Hij had zich in het geheel niet voorbereid, vroeg of ik vragen wilde stellen en declameerde zijn poëzie in een taal die door Rotterdamse oren niet kon worden opgevangen. Wat had hij verwacht?

Mijn vrouw en ik woonden op de hoek van de Goudsesingel en de Meent, in een flat op de zevende verdieping, en verheugden ons op een avondbezoek. Hij bleek niet tevreden. De reis van Groningen naar Rotterdam was hem lang gevallen, in het hotelbed had hij slecht geslapen door lawaai van het Centraal Station, de stad beviel hem niet. Hij zal, naar Groningse gewoonte, tussen de middag warm hebben gegeten. Mijn vrouw bereidde een schaal vol sandwiches en bood hem aan. Hij nam de schaal over, zei: “Ja graag, een boterhammetje” en begon te eten. Voorzichtig ging mijn vrouw terug naar de keuken voor haarzelf en mij. Toen hij klaar was zei hij: “Zal ik een gedicht opzeggen?” en declameerde zijn Groninger symphonie, het minst aantrekkelijke boek in zijn oeuvre. Na een half uur hield hij op, zei: “Ik weet niet meer. Ik ben moe”. Hij stond op en vertrok.

Het lag aan Het Vrije Volk, Rotterdam en mij dat hij zich die feestelijk bedoelde dagen zo ongelukkig had gevoeld. Het lag vanzelfsprekend ook aan hemzelf. Jan van der Vegt heeft zojuist een boek gepubliceerd: Hendrik de Vries (1896-1989). Een biografische schets. Het is voor wie het werk bewondert aangrijpende lectuur. Ik had het profijt dat ik mijn beeld van hem, zo vluchtig, vastere vorm zag krijgen. Onredelijk en in onvrede was hij soms in zijn jaren als Rolf. Ik mag mij gelukkig prijzen dat hij geen ruzie met mij heeft gemaakt. Tegelijk verscheen Sprookjes, tot nu toe niet in een handelsuitgave gepubliceerd proza. In Groningen en in het letterkundig museum in Den Haag wordt zijn honderdste verjaardag gevierd. Hendriks verjaardag! Ik wil (volgend stukje) hem dankbaar toedrinken uit een beker 'heetgebrouwen heksendrank', zijn ernstigste versnapering.