Cultuuradviseur Premsela vindt Raad voor Cultuur te klein; 'Het ontbreekt politici aan kennis'

Maandag wordt in de Tweede Kamer de Cultuurnota behandeld. Benno Premsela (76), 'kunstpaus' van Nederland, vindt dat de Raad voor Cultuur te veel is uitgekleed. “Het werk van de leden wordt onmogelijk en in elk geval on-democratisch.”

AMSTERDAM, 8 NOV. Hij is ongebruikelijk kritisch, ook als men in aanmerking neemt dat hij zichzelf “geen diplomaat maar een Draufgänger” noemt. Benno Premsela (76), 'kunstpaus' van Nederland en (gewezen) lid of voorzitter van het bestuur van talloze kunstinstellingen, spreekt aan de vooravond van het parlementair debat, aanstaande maandag, over de Cultuurnota waarschuwende woorden.

“Ik ben ervan overtuigd dat het nieuwe Kunstenplan het laatste zal zijn, als de politiek opnieuw de boel door de war gooit. Van de adviezen voor het vorige Kunstenplan is fors afgeweken en dat kan zo niet doorgaan. Een tweede reden waarom, naar ik vrees, het ministerie straks niemand met enige oordeelsbevoegdheid nog bereid vindt om in de Raad voor Cultuur zitting te nemen is dat de zojuist aangetreden leden geen idee hebben van de hoeveelheid werk die ze te wachten staat. Men heeft de adviesraden samengevoegd en ingekrompen, maar de huidige mankracht is veel te klein.”

Premsela heeft veel ervaring met advisering op kunstgebied aan de overheid. Van 1981 tot 1985 was hij voorzitter van de Amsterdamse Kunstraad en vanaf 1991 heeft hij de Afdeling Dans van de Raad voor de Kunst geleid. In die hoedanigheid is hij medeverantwoordelijk voor het advies dat de nieuwe Raad voor Cultuur (het resultaat van de samenvoeging van vier adviesraden van het ministerie van OCW) heeft uitgebracht ten behoeve van het nieuwe Kunstenplan, dat op 1 januari in werking treedt. Aan de behandeling van het vorige advies door 'de politiek' - minister d'Ancona destijds en de Tweede Kamer - heeft hij een grote frustratie overgehouden.

Na de debatten over het vorige advies, in juni 1992, schreef de secretaris van de Raad voor de Kunst, Atzo Nicolaï aan de leden: “Wat betreft de hele gang van zaken zal waarschijnlijk het algemene beeld blijven hangen dat er te veel ruimte is genomen en ontstaan voor politieke (-) adhoc-bemoeienis, inbreuken en lobby en dat het inhoudelijke, samenhangende oordeel (van de raad) een belangrijkere plaats zou moeten innemen.”

Dat beeld is bij Premsela inderdaad 'blijven hangen': “Ik vond het ongepast zoals de adviezen van de Raad om politieke redenen werden genegeerd. Het Limburgs orkest werd ontzien, niet omdat het goed was, maar omdat het Limburgs was. Ook waren er, net als nu overigens, 'lobby's' waarmee door ons negatief beoordeelde groepen, zoals de bewegingstheatergroep Bewth, opnieuw gesubsidieerd werden.

“Ik heb grote bezwaren tegen dergelijke afwijkingen, niet omdat we geen gelijk kregen, maar wegens de aard van de argumenten. Die zijn nooit artistiek-inhoudelijk - daarvoor ontbreekt politici de kennis en dus de bevoegdheid - en altijd politiek. De overwegingen hebben niets met kunst te maken, waar het ten slotte toch om gaat.”

Premsela is deze keer redelijk gerustgesteld door de Cultuurnota van staatssecretaris Nuis, die slechts op een aantal punten afwijkt van het advies van de Raad. Zo wil Nuis toneelgroep De Appel blijven subsidiëren. Maar als de Kamer nu ook nog veranderingen aan gaat brengen, vindt hij de geloofwaardigheid van de Raad in het gedrang komen.

“De afweging voor iedere commissie afzonderlijk en voor de Raad in het algemeen is ongelooflijk zwaar. Je bent aan jezelf en de kunst verplicht zo zorgvuldig mogelijk te zijn. Al die praatjes over vrindjes die elkaar subsidies toespelen, slaan nergens op. Het is werk, je bent er, naast je gewone werk, vier jaar lang dag in dag uit mee bezig. Dat geeft niet - het doel is het waard - maar je mag dan wel eisen serieus genomen te worden.

“Ik vind de opstelling van de Raad over het algemeen te mild. Men moet zich minder laten dwingen in de rol van burgemeester in oorlogstijd, in de hoop dat er geluisterd wordt. Ieder contact met de politiek moet gebruikt worden om te onderstrepen dat er veel te weinig geld voor de kunsten is. Het subsidie-systeem en het onderwijs motiveert en kweekt kunstenaars, maar vervolgens moeten ze het maar uitzoeken. Het is net als de talloze wegen die naar de brug bij Vianen leiden - waar de automobilist vervolgens niet over kan omdat hij te smal is. Dat moet een overheid oplossen.”

Uitermate ongelukkig is Premsela met de samenvoeging van de Raad voor de Kunst, de Raad van advies voor bibliotheekwezen en informatievoorziening, de Mediaraad en de Raad voor het Cultuurbeheer tot één Raad voor Cultuur. Op verzoek van het ministerie bleven hij en de meeste andere leden van de Raad voor de Kunst tot 1 juli aan om het advies voor het nieuwe Kunstenplan af te ronden.

De fusie is volgens Premsela niet alleen overhaast “in elkaar gesmeten”, maar heeft ook geresulteerd in een “onaanvaardbare inkrimping”. Het totale aantal van 300 kroon- en commissieleden van de vier voormalige raden is gereduceerd tot een kernraad van 24 leden en een voorzitter. Zij moeten vierjaarlijks zo'n 500 beleidsplannen en budget-ramingen van festivals, operagezelschappen, orkesten en muziekensembles, dans- en theatergroepen, bibliotheken, archieven, monumenten-organisaties en instellingen voor archeologie beoordelen en er een advies over opstellen.

“Op zichzelf is de Raadsadvisering en de Kunstenplansystematiek nog de beste van alle slechte oplossingen die je bedenken kunt voor de artistieke controle van wat de overheid subsidieert. Maar deze nieuwe Raad is zo uitgekleed, dat het werk van de leden onmogelijk wordt en in elk geval on-democratisch. Ieder kernlid mag een aantal adviseurs aan trekken, maar dan nog is het onmogelijk kennis te nemen van alles wat er gebeurt op je eigen terrein.

“Want niet alleen moet je de groepen en kunstenaars volgen die subsidie krijgen, maar ook degenen die dat niet krijgen. Die dienen volgende keer immers wel een aanvraag in waarover je moet oordelen en oordelen houdt de verplichting in dat je hun werk kent. Dat kan dit kleine groepje onmogelijk waarmaken en daarom ben ik bang dat de Raad in de toekomst vrijwel geen deskundigen meer aan zich zal weten te binden die hun terrein serieus nemen.”

Behalve over het eigen terrein moet een lid van de Raad voor Cultuur ook over dat van zijn collega's kunnen oordelen. De leden moeten zoals Jan Jessurun, voorzitter van de Raad, dat noemt in staat zijn “integraal te denken” om adviezen beter op elkaar te kunnen afstemmen, met meer onderlinge samenhang. Premsela gelooft geen moment “in die illusie”. “Zoiets bestáát helemaal niet. Zonder valse bescheidenheid kan ik van mezelf zeggen dat ik iemand ben met een brede horizon, maar ik heb niet het flauwste benul van media, archieven, bibliotheken en archeologie om maar een paar disciplines te noemen. Jessurun loopt te veel aan de leiband van het ministerie en de politieke partijen, die uiteraard willen bezuinigen op de adviesorganen. Maar deze ingrepen gaan ten koste van de zorgvuldigheid, en juist zorgvuldigheid moet de voornaamste kwaliteit zijn van een Raad.”

    • Pieter Kottman