Boven de deur een plompe pudding; Museum Willet-Holthuysen opnieuw ingericht

Abraham Willet en Louise Holthuysen stonden model voor het echtpaar Le Roy-Diefenbach dat in 'Onpersoonlijke herinneringen' van Frans Coenen zijn dagen vult met pesterig gezwijg. Hun Amsterdamse patriciërswoning, sinds 1936 ingericht als museum, wordt na een modernisering maandag weer heropend. “Wie zou er in zijn eigen keuken niet graag tegen dat tegelwerk willen aankijken van steeds weer een ander vogelkooitje?”

Hier wachtte de koetsier op zijn orders. Daar lag de heer des huizes lui op zijn sofa. Zijn hand reikte naar zijn glas jenever. Het duurde nog even en dan zou de staande klok in de marmeren hal hele uren slaan - hoogtijd voor het theater of sociëteit Arti. En mevrouw? Ach, mevrouw hield zich vreugdeloos op in haar boudoir. De dienstbode had net een brief opgehaald en maakte zich weer ijlings uit de voeten. Verder was het stil aan de Herengracht 605 in Amsterdam. Het trappenhuis lag 'in tijdloze hoogheid en storeloze rust', schreef de literator Frans Coenen in 1936.

Na de dood van zijn bewoners deed het patriciërshuis Willet-Holthuysen in diezelfde rust jarenlang dienst als museum. In 1895 al was het pand de stad als legaat toegevallen. Mevrouw Willet had er kort tevoren nog ziek rond geschuifeld. Alleen katten, veel katten, hielden haar gezelschap. Hun stank was ondraaglijk - 'uitstromend uit de gordijnzomen, verhevigd bij alle schoorsteenmantels'. Zij rook het nog nauwelijks, zoals het haar ook zal zijn ontgaan dat de meeste vertrekken 'dof en slonzig verwaarloosd' waren, aldus diezelfde Coenen.

Mevrouw Willet peinsde haar laatste dagen vol, turend over de grachtengolfjes. Kort daarna zou die literator de scepter gaan zwaaien over de drie, meer of minder symmetrische etages, totdat ook hij in 1936 overleed. Die laatste halte zal hem bekend zijn voorgekomen, want het hele leven was toch al een 'illusieloos omlaaggaan naar de dood', vond Coenen.

Maar hoe staat het pand er nu voor?

Beter, veel beter. Aan de Herengracht 605 poseert weer een volledig geverfd, gedeeltelijk gemoderniseerd en heringericht Museum Willet-Holthuysen. Na een jaar van sluiting wordt het maandag heropend. In de stijlkamers kan men zich weer even de achttiende- of negentiende-eeuwse burger voelen die geld en spullen had, smaak en vooral de ruimte.

Het souterrain van dit dubbele grachtenhuis herbergt een nieuwe ontvangst- en expositiezaal en een warmgeel gekwaste 'woonkeuken'. Alleen al het vernuftige, achttiende-eeuwse mechanisme van een braadspit, waaraan pauwen, reigers en speenvarkens tuimelden, doet verlangen naar leven in deze brouwerij. En wie zou er in zijn eigen keuken niet graag tegen dat tegelwerk willen aankijken van steeds weer een ander vogelkooitje?'

Champagne

Een trap hoger ligt de bel-etage, en die heeft meteen veel meer pretenties dan de koelere 'werkvloer'. Het begint al op de brede, marmeren gang, met de veertien meer dan manshoge, schoongemaakte panelen van de Franse decoratie-meester Paul Alfred Colin (1838-1916). Colin bracht een romantische ode aan de achttiende-eeuwse Franse schilderkunst, kopieerde daartoe fragmenten uit de galante doeken van onder anderen Fragonard, Watteau en Chardin en plaatste die zoetigheden in een feestelijk kader van draperieën, klimop en kamperfoelie. Boven de deuren mocht hij, eveneens in opdracht van de heer Willet, decoraties aanbrengen met een hoger werkelijkheidsgehalte: stillevens van groenten, wild, vissen en, niet te vergeten, een plompe pudding die blijkbaar niet zonder champagne kon worden genuttigd. Gelukkig is dit alles weer uit een depot tevoorschijn gekomen.

Hier, op deze gang, ontving het echtpaar Abraham Willet (1825-1888) en Louise Holthuysen (1824-1895) vanaf 1861 zijn gasten, onder wie schilders als Bilders, Roelofs en Rochussen. Zoals vele bewoners vòòr hen - het huis was in 1687 opgeleverd aan een stadsbestuurder en zou later burgemeesters en bankiers onderdak bieden - werd allereerst het interieur naar hun hand gezet, liefst zo 'Parisien' mogelijk. Het stijve empire moest eruit, en de elegante Louis XVI-stijl kwam erin; veel vergulde krullen en guirlandes, waarin de niet thuis te brengen motieven van een fakkel en een pijlenbundel zich herhalen. De voorkamer kreeg een geel-groenig behang met brede, fel paarse randen, zoals letterlijk weer naar voren is gekomen bij recentelijk historisch onderzoek. En de overburen gingen schuil achter heftig geel satijnen gordijnen. Toch kleuren voor durfals in die tijd.

Wat jammer genoeg door geldgebrek onzichtbaar moet blijven, huist geheimzinnig achter het negentiende-eeuwse portret van de heer Willet zelve, mallotig uitgedost als een zeventiende-eeuwse schutter. Het is een geschilderd fragment van een tent-interieur. Deze zelfde voorkamer, zo blijkt nu, was ooit met dit type tentdraperieën volledig beschilderd. Men waande zich in de achttiende eeuw dus op een luxueuze camping met marmeren schouw en pontificale spiegel.

Knollen

Over de heer en mevrouw Willet-Holthuysen is relatief weinig bekend. Ze hebben wel model gestaan voor het echtpaar Le Roy-Diefenbach in Onpersoonlijke herinneringen van de eerder geciteerde Frans Coenen (1866-1936). De vaak bittere Coenen geeft een weinig flatteus beeld van een net zo weinig beminnelijk echtpaar, dat grotendeels langs elkaar leefde en zijn dagen vulde met pesterig gezwijg en gezanik.

Abraham Willet, blijkbaar omringd door klaplopers en dol op genealogische onderzoekingen, 'liefhebberde in oud porselein, oud zilver, oud glas, in alle soorten van antikiteit, waarbij het overigens blijkt, dat hij zich vaak knollen voor citroenen in de hand laat stoppen'. En de mannelijk geklede Louise Holthuysen 'was gierig en zakelijk wantrouwend'. Ze verzamelde mutsen, 'misplaatste koketterie' waarvoor de schrijver geen goed woord over had. Mijnheer was weliswaar week, pedant en berekenend, maar getuigde toch van een 'uiterst-fijnsten smaak in het nogal droge Amsterdam'.

Vergeefs probeerde mevrouw, die het kapitaal leverde om mijnheer te laten verzamelen, hem tot het kunstenaarschap te bekeren. Niets was hem vroeger liever geweest dan tussen de Barbizon-schilders te vertoeven, van wie hij voor zijn huwelijk flink wat had aangekocht en, vermoedelijk uit geldgebrek weer had doorverkocht. Zelfs de aanschaf van een villa, even buiten Parijs, waar een atelier voor mijnheer werd ingericht, mocht zijn vermoede schilderkunstige talenten niet wakker maken.

Abraham Willet zou zijn verdere leven wijden aan het vergaren van werken van negentiende-eeuwse Franse en Nederlandse meesters, van stoere roemers en diepgegraveerde fluitglazen uit de Gouden Eeuw. Hij hield van Chinees en Meissen-porselein, Delfts aardewerk en van zilveren kandelaren, bierpullen, snuifdozen en sculpturen. Wie nu een blik mag werpen in de verborgen ruimte, halverwege het trappenhuis, herkent in dat depot een negentiende-eeuws, veel te lief herderinnetje van Adolphe William Bouguerreau (1823-1905) en handzame portretten van de brave burgerij, van dames in pastelgetint satijn, die een leven lang de buitenissigheden van het hart onder controle hielden. Onduidelijk blijft welke rol Louise in dit aankoopbeleid speelde. Deed haar smaak of voorkeur er eigenlijk toe? Of liet ze Abraham maar 'liefhebberen', om van zijn gezeur af te zijn?

Francofiel

Gusta Reichwein en Bert Vreeken, hoofd collecties en conservator van het Amsterdams Historisch Museum en beiden verantwoordelijk voor de museale herinrichting van Willet-Holthuysen, varen niet zo maar blind op Coenens huwelijksschets. “Het moet hoe dan ook toch zeer bijzonder voor die Amsterdammers zijn geweest om in dit francofiele milieu binnen te stappen”, aldus Vreeken.

En geef hem eens ongelijk! Want die ene voorname voorkamer dient nog maar als smaakmaker van de overweldigende balzaal. In deze witte en gouden ambiance hadden onder de weidse kroonluchter de kostuumfeesten plaats. Aan de wanden hangen nu weer de schoongemaakte, kolossale wandtapijten vol beige en oud-roze ranken en bloemstukken, door Willet besteld in Parijs. En wie tegen de uiterzonderlijk mooie schouw leunde, getorst door gespierde putti, kon nog net een blik werpen op de achttiende-eeuwse stadstuin, die inmiddels met zijn buxushagen en patronen van wit en rood steengruis weer grotendeels is gefatsoeneerd.

Het 275-delig Meissen-servies is uit de kast gehaald om in de eetkamer, op die zelfde beletage, weer de rijke tafel te dekken, zoals de 'meiden' van Willet zo vaak hebben gedaan. Na zo'n diner trokken de heren zich aan de voorkant terug in de zogenaamde Blauwe of rookkamer, onder een plafondschildering die van elders komt, maar daarom nog niet minder elegant de wulpse Dageraad laat zien. Misschien keuvelden de dames nog wat na in de zachtgroene tuinkamer. Afgaande op het fragiele meubilair moeten ze zeer slank zijn geweest.

Het was destijds ongetwijfeld weinigen gegeven nog een etage hoger te klimmen. Daar was het namelijk afgelopen met al die pompeuze representativiteit. In de studeerkamer van mijnheer huist nu een slaapkamer van elders, die meer aan de Lelijke Tijd dan aan Louis XVI doet denken. Het boudoir en de mutsenkamer van mevrouw zijn lang geleden al aaneengeregen tot tentoonstellingszalen, waar ter gelegenheid van de opening nu een imposant overzicht is gewijd aan de familie Helweg, de vijf generaties Amsterdamse zilversmeden, die vanaf 1753 het partrichiaat eerst van sobere en later van rijk versierde lepels en vorken voorzag. Hoe tuttig die negentiende eeuw bij sommige fatsoensrakkers naar zijn eind toeliep, bewijzen de uitbreidingen van die couverts; een ijs- en jamlepeltje, een spiegelei-schepje erbij, en dan ook nog posteleinvork er bovenop.

Na het zilver is het bezoek ten einde. Onder het dak staat straks alleen nog een studie-depot. We dalen weer de trap af naar het domein van de dienstboden. De schoonmaakploeg legt de laatste hand aan het grijs geaderd marmer en de vergulde spijlen. Hier moet het echtpaar Willet, ondanks alles, af en toe tevreden hebben rondgekeken. Boven hun hoofd scheen de zon op de lichtkoepel en in de nissen waakten drie beeldschone marmeren beelden, gehakt door een anonieme Hollander. Het is het Trojaanse koningskind Paris, geflankeerd door Aphrodite en Hera, in wier attributen ook de afgewezen Athena vereeuwigd is. Zij bewaakten dit heiligdom in eeuwige roerloosheid, schreef Coenen. Hun schoonheid en zinnelijkheid waren hem blijkbaar ontgaan.

Geopend vanaf 11 nov. Ma t/m vr. 10-17u, za en zo. 11-17u.