Boschma bezielt al het levenloze

Poppentheater: De poppen aan het dansen, 50 jaar rafelige hartstocht van Feike Boschma. Regie: Nikos Armos m.m.v. Henk van Loenen. Spelers: Feike Boschma, Uwe Kmoch, Leonid Popa. Decor: Apostoulos Vettas.

Gezien: 4/11 Nieuwe de la Mar Theater Amsterdam, aldaar ook 5/11. Tournee t/m maart 1997. Inl. 020 6233700.

Een piano wordt een kippenhok, in een lap blijkt opeens een gracieus been verborgen en een strooien hoedje maakt een rafelig reepje stof tot een verleidelijke Amerikaan. Feike Boschma, de meester van het poppenspel, jubileert. Hij wordt vijfenzeventig en staat sinds vijftig jaar in het theater. In een ter gelegenheid van het jubileum verschenen boekje Flamingo's aan de bar, voor ƒ 17,50 te koop na de voorstelling, vertelt hij over zijn drijfveren en de inzichten die hij verwierf.

De voorstelling De poppen aan het dansen is een terugblik en bestaat uit grotendeels nieuw materiaal, gemaakt op de manier waarop hij eerder in zijn leven werkte. Zelfs zijn allereerste marionet, het witte danseresje met haar trippelende voetjes, mag meedoen.

Voor de pauze is, nog gewoon in een poppenkast, een traditioneel marionettensprookje te zien, terwijl Boschma later overal in het decor poppen op laat duiken: in een kast, op de piano of middenop het podium (waar hij dan zelf bijstaat om de pop te bedienen). Het sprookje over een houthakker die het fortuin verkiest boven de liefde is, vergeleken met wat Boschma later is gaan doen, een beetje saai.

In 'Moederliefde', gebaseerd op een verhaal van Jacques van Hattum, zijn de poppen al meer gestileerd en dus meer 'Boschma-achtig.' Een lap komt tot leven, soms lijkt het een vleermuis, dan weer een zorgelijk krom vrouwtje. Ook het zakje dat zij meesleept blijkt bezield; het doet wanhopige pogingen buiten haar bereik te kruipen. Met geen mogelijkheid kan het publiek ontdekken hoe dit gewurm door de poppenspeler teweeg wordt gebracht. Verderop in de voorstelling legt Boschma zelf het verband tussen zijn poppenspel en tovenarij, als hij aandoenlijk met een eitje (uiteraard gelegd door een stoffen kip) zit te hannessen. Het lukt hem niet het weg te toveren: er zijn dus ook goocheltrucs die Boschma niet beheerst.

Al het overige levenloze in zijn omgeving weet hij in zijn huidige spel tot leven te wekken. Dat blijft verrassend, al weet je al snel dat elk argeloos sjaaltje dat over een stoel hangt, wel weer een pop zal blijken te zijn. Boschma werpt het met een achteloos gebaar van zich af, waar het door een van zijn in het zwart gehulde medespelers opgevangen wordt. In de lap blijkt dun ijzerdraad verborgen waardoor het een pop wordt die dansen kan, maar hoe de beweging precies gemaakt wordt is niet te zien.

Het mooiste deel van de voorstelling, na de pauze, gaat over het leven van een poppenspeler, die ervaart hoe tafelkleden en weggegooide vodden bijna buiten hem om aan het dansen slaan.

Boschma speelt zichzelf, temidden van zijn poppen. Voor de spiegel laat hij een marionet zijn eerste voorzichtige pasjes maken, maar zonder dat hij het ziet wordt in de kast en zelfs op de platenspeler groots en meeslepend geleefd door uiteenlopende poppen, bediend door zijn medespelers.

Boschma biedt een wat weemoedige aanblik met zijn hangende schouders en zijn lange grijze haar, maar zijn vuurrode sokken vormen een vrolijk en veelzeggend tegenwicht. Als de dood hem van achteren bij de nek grijpt, blijkt hij nog steeds de baas. In een soepele beweging reduceert hij hem tot een grauwe lap.

    • Judith Eiselin