Amerikaanse conservatief slaat terug

Robert H. Bork: Slouching towards Gomorrah. Modern Liberalism and American Decline. Regan, 365 blz. ƒ 49,25

Robert Bork werd in 1987 onder druk van zwarte en feministische organisaties afgewezen als kandidaat voor het Amerikaanse Hooggerechtshof, op grond van 'racistische' en 'vrouwvijandige' opvattingen. Harde bewijzen werden niet geleverd, maar de publicitaire druk werd zo groot dat Bork verdween.

Nu neemt hij wraak met Slouching towards Gomorrah, een zoveelste neoconservatieve aanklacht tegen de morele verloedering van Amerika, sinds tien jaar geleden Allan Blooms The Closing of the American Mind verscheen.

Borks analyse van Amerika's verval (morele slapte, porno, rap-muziek, abortus, euthanasie, anti-intellectualisme) voegt op zichzelf weinig toe aan die van zijn voorganger Bloom. Ook bij hem is de inktzwarte duisternis waarin de westerse cultuur verdwijnt, over ons afgeroepen door het fatale mengsel van egalitarisme en individualisme dat bekend staat als 'modern liberalism'. Zijn tirades tegen die 'vijand van binnenuit' zijn te ideologisch om te overtuigen en te bitter om te amuseren. Bork noemt het feminisme 'de meest destructieve en fanatieke beweging die de jaren zestig hebben voortgebracht', een jaar na de moorddadige aanslag op een overheidsgebouw in Oklahoma door rechts-extremisten met wortels in diezelfde jaren zestig. Critici van vrouwenstudies zijn, voorzover bekend, nog nooit het leven erbij ingeschoten. Zelfs het leger is niet meer wat het geweest is: ook daar slaan demoralisering en verwarring toe, mede door het opnemen van vrouwen. Spijtig haalt Bork het verschil aan tussen de troepen in de Eerste en die in de Tweede Wereldoorlog: eerstgenoemden marcheerden nog zingend naar het slagveld ('een uitdrukking van romantiek, van poëzie'), de laatsten maakten vooral wise cracks, cynische grapjes ('een manier om iemand omlaag te halen').

Bork schiet ook nogal uit zijn slof als hij de studentenrevolte van de jaren zestig vergelijkt met de neergang van de universiteiten in nazi-Duitsland. Bloom deed dat ook al, maar Bork gaat een stap verder: de linkse Nazi's hebben gewonnen. 'Modern links is hoe fascisme eruit ziet wanneer het belangrijke instituties in zijn macht heeft gekregen, vooral de universiteiten, maar geen massabeweging heeft kunnen worden', schrijft hij.

Milder zijn de passages waarin de jurist zelf voorkomt: in een noot biecht hij op ooit zelf een 'radical' te zijn geweest: 'Dixieland jazz was mijn rock and roll'. Tegen de tijd dat de studentenrevolte uitbrak, had hij gelukkig een verblijf in het Marine Corps achter de rug, een organisatie die befaamd is 'om zijn vermogen recruten het reality-principle bij te brengen'. Later in het boek wordt hij, zappend in een Newyorkse hotelkamer, overvallen door een pornofilm. 'Daar verscheen, op een publieke zender, een voluptueuze jonge vrouw, naakt, haar lichaam geolied, kronkelend op de vloer terwijl ze zichzelf betastte.' In een taxi barst Bork in lachen uit bij een reclamebord voor een paragnostische 06-lijn. 'Wie betaalt daar nou voor?' denk hij vrolijk. Maar dan wordt hij weer somber, als hem te binnen schiet: honderdduizenden mensen waarschijnlijk!

In zulke scènes krijg je bijna medelijden met de rechter, die in taxi's en hotelkamers wordt geconfronteerd met de verloedering van de westerse cultuur. Bork ziet, opnieuw evenals Bloom en de kunstcriticus Robert Hughes (The Culture of Complaint) sterke overeenkomsten tussen het huidige Amerika en het Romeinse Rijk in zijn nadagen. De filosoof Charles Taylor heeft erop gewezen dat deze ideologische metafoor misplaatst is. Cultuurcritici als Bork negeren consequent de winst en voordelen die de 'zelfontplooiïngs'-samenleving oplevert, niet in de laatste plaats voor henzelf. 'Het ligt in de aard van een vrije maatschappij dat ze altijd de plaats zal zijn waar zich een strijd afspeelt tussen hogere en lagere vormen van vrijheid', aldus Taylor in The Malaise of Modernity (1991). Bork lijkt die strijd, getuige zijn pleidooi voor censuur, liever te beslechten dan te leveren.

Merkwaardig is het slot van het boek. Nadat hij de totale crisis van het Amerikaanse leven in de donkerste tinten heeft geschilderd, zodat je het hoofd moedeloos in de schoot wilt leggen, blijkt opeens hoop te gloren. In de politiek, in de samenleving, in de kerken - overal ziet Bork nu juist een neoconservatief reveil. De linkse apocalyps maakt plaats voor een rechtse heilsverwachting. Die steekt alleen wat merkwaardig af bij de verstikkende klaagzang die de rest van dit boek beheerst. Crisis? What crisis?

    • Sjoerd de Jong