Altijd de vinger aan de pols

Frank van Vree: De metamorfose van een dagblad. Een journalistieke geschiedenis van de Volkskrant. Meulenhoff, 254 blz. ƒ 39,90

Terwijl in de herfst van 1972 de politiek door Nederland gierde en in afwachting was van het 'keerpunt' dat PvdA, D66 en PPR ná Barend Biesheuvel hadden beloofd, zat de redactie van de Volkskrant aan de Wibautstraat in conclaaf bijeen. Er waren verkiezingen in aantocht. De Volkskrant had een koers nodig en dus draaide het vergadercircuit op volle toeren. Een verslaggever van de krant nam het woord. En stelde voor 'om de hele verkiezingscampagne uiterst summier te begeleiden omdat politici toch niets te zeggen hebben'.

Het zou ruim twintig jaar duren voordat deze visionaire journalist bij zijn collega's eindelijk gehoor zou vinden. De Volkskrant ging eerst nog nadrukkelijk profiteren van de politisering van de maatschappij die juist begin jaren zeventig aan haar take off begon. Wat in de jaren zestig nog een culturele revolutie leek, althans naar Nederlandse maatstaven, sloeg in het daarop volgende decennium in kristallen neer. De Volkskrant zag het aan en laafde zich er aan.

De Volkskrant, sinds 1965 geen 'katholiek dagblad voor Nederland' meer maar desondanks nog behoorlijk belast met het erfgoed van de roomse emancipatie, was in die 'Den Uyl-jaren' de indicator om het PH-gehalte van Nederland te testen. Soms heette het lakmoes Ben de Graaf (sport), dan weer Jan Joost Lindner (politiek) of Lidy van Marissing (literatuur). Maar altijd hadden ze wat te kankeren. 'Zuur' werd de Volkskrant daarom genoemd. Een enigszins eenzijdige kwalificatie, omdat veel méér journalisten, juist omdat ze zo vaak geen genoegen wensen te nemen met de droge positie langs de kant van het veld, last hebben van een vermeend gebrek aan respect. Bovendien verwierf de Volkskrant zich er een positie mee in het hart van het linker deel der samenleving. Wat De Telegraaf was voor de behoudende burger, vertegenwoordigd in de persoon van Hans Wiegel, werd de Volkskrant voor de progressieve mens in Nederland.

Maar zo snel als het in retrospectief lijkt, verliep dit proces toch niet. In zijn studie De metamorfose van een dagblad onthult de historicus Frank van Vree een veel weerbarstiger beeld van de 'journalistieke geschiedenis' van deze krant. Voortbordurend op de biografie van Volkskrant-journalist Martin Sommer over het 'krantebeest' Lücker, de eerste naoorlogse hoofdredacteur die het katholieke dagblad op min of meer Angelsaksische leest schoeide, schetst Van Vree de ontreddering die zich al ver voor de jaren zestig van de katholieke gemeenschap in Nederland meester maakte. Vervolgens maakt hij duidelijk hoe lang de verwarring nog zou duren. Waarna hij beschrijft hoe een nieuwe, van Rome bevrijde, generatie katholieken zich op andere verlossende leerstellingen stort en daarop wederom net niet te pletter slaat.

Het einde van de rooms-rode-coalitie in 1958 was de eerste politieke cesuur. KVP-leider Romme was toen weliswaar geen 'staatkundig hoofdredacteur' meer, maar zijn geest waarde nog rond in het gebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal waar nu een schoenenwinkel en appartementen gevestigd zijn. Romme's gedachtengoed was kort samen te vatten als een vorm van 'arbeiders-katholicisme', ten dele diep geworteld in de verzuiling die door het Mandement van 1954 moest worden geschraagd maar ook deels geïnspireerd door het mystieke geloof van de volgelingen van Teilhard de Chardin. Het kabinet-De Quay, dat na dertien jaar Drees/Romme aantrad omdat de 'sociale vleugel' zijn greep op de KVP aan het verliezen was, leek de klok terug te draaien. De komst van De Quay leidde tot de eerste tekenen van intra-confessionele commotie. Maar de onrust bleef binnen de oevers van de katholieke partij en vakbeweging. Pas toen de KVP in 1966 de kortstondig rooms-rode coalitie van het kabinet-Cals om zeep hielp, ging de krant radicaal om. Was 'wandelganger' Henri Faas voordien nog eindredacteur van de KVP, daarna vervulde hij die rol net zo makkelijk voor de PPR. Totdat de hoofdredactie, terwille van de journalistieke positie, ingreep en de krant in meer algemene progressieve richting dreef.

Het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-65) was de ideologische cesuur. Paus Johannes XXIII en monseigneur Bekkers in 's Hertogenbosch gaven het geestelijk alibi dat de krant nodig had om de wijde wereld in te trekken. Dood en herrijzenis werden gehumaniseerd. Jezus was een mens en de guerrilleros waren zijn hedendaagse volgelingen in het verzet. De 'opstanding' was niet 'langer een triomfaal slot van een geschiedenis maar een begin met een dwingende opdracht naar de toekomst', aldus de krant in paasnummer van 1968.

De demografie was de kwantitatieve cesuur. Toen begin jaren vijftig de socioloog Van Heek voorspelde dat de katholieken in 2015 de meerderheid in Nederland zouden uitmaken, wist hij niet hoe snel hij gelijk zou krijgen en hoe snel ook ongelijk. De demografische cijfers waarvan Van Heek uitging klopten, zijn idee over de katholieke kerkgang echter niet. De opmars van de na-oorlogse geboortegolf, die grotendeels door de pastoor was gedoopt maar dat zondag steeds vaker wenste te vergeten, bleek een nog veel dwingender opdracht voor de Volkskrant te behelzen dan de Paaskrant van 1968 had kunnen vermoeden. De nieuwe geëmancipeerde generatie had een ochtendblad nodig. De Volkskrant leverde haar die.

Alras kwam alles samen: democratisering, medezeggenschap, maatschappijhervorming, rock 'n' roll en sport. Dat de Volkskrant dit relatief soepel wist te mengen, was te danken aan hoofdredacteur Van der Pluijm. Hij was een nogal non-descripte verslaggever op de sociaal-economische redactie geweest. Maar toen hij de fakkel van Lücker moest overnemen - Lücker was 1964 geslacht op het altaar van het Vaticaanse concilie, ten dele omdat hij qua persoonlijkheid de tijdgeest niet kón begrijpen - bleek Van der Pluijm de man die de krant als geen ander kon beschermen tegen de pretenties van haar eigenaar (de katholieke vakbeweging KAB, later NKV) en later die van Het Parool waarmee de Volkskrant eind jaren zestig in een moeizame fusie verzeild raakte. Tegelijkertijd gaf Van der Pluijm als zogeheten 'primus inter pares' de redactie veel ruimte. Uiteindelijk zelfs vrij baan aan nagenoeg alles en iedereen. Dennendal, Bloemenhove, de metro in Amsterdam en het 'bikkelen' van Johan Neeskens bij de wereldkampioenschap voetbal in Duitsland, niets werd meer verzuild afgehandeld. Behalve in de Waarheid werd in nagenoeg geen enkele krant zo mild geschreven over de arbeiders- en boerenstaat DDR als in de Volkskrant. Terwijl André Luyendijk in NRC Handelsblad het Portugese bolsjewisme schuimbekkend liet opmarcheren in Braga, verdedigde de buitenlandredactie van de Volkskrant de relativiteit van de representatieve democratie in datzelfde Portugal. En dat alles nog geen tien jaar nadat dezelfde krant het Nieuw-Guinea-beleid van minister Luns van Buitenlandse Zaken had gedekt.

Paradoxaal genoeg trok de krant van deze wending aanvankelijk helemaal niet zo veel profijt. Tussen 1970 en 1980 steeg de oplage maar met 45.000 exemplaren, klein bier vergeleken met De Telegraaf dat in dezelfde periode met 160.000 exemplaren groeide. Maar in de jaren tachtig, toen de illusies en schaamte voorbij waren gestreefd en het prudente progressivisme van Nederland (naar een woord van Lubbers) tot diep in de suburbane provincie was doorgedrongen, ging de krant incasseren. Zoals NRC Handelsblad in de eerste moeilijke jaren profiteerde van de ondergang van De Tijd, zo spon de Volkskrant garen bij de val van het Vrije Volk, de neergang van Het Parool en de homogenisering van het verzuilde Nederland. Door trouw te blijven aan haar PH-niveau uit de jaren zeventig verdiende de Volkskrant er in dat decennium 120.000 exemplaren bij. Van der Pluijms opvolger, Harry Lockefeer, hield de boeken bij.

Enige tijd heb ik daarom gedacht, of beter aan mijn water gevoeld, dat er de laatste dertig jaar in Nederland drie verzetskranten waren. Te weten: De Telegraaf (tegen alle onzin die de gewone man bedreigt), NRC Handelsblad (tegen alle duisternis die licht en vrijheid bedreigt) en de Volkskrant (tegen alle obstructie die de eigen emancipatie bedreigt). Deze indeling berust echter op een misverstand, zo blijkt na lezing van de studie van Van Vree. De Volkskrant was helemaal geen verzetskrant. Uiteindelijk vond ze steeds haar weg in de slipstream. De ingezonden brieven fungeerden soms als vangrail. Maar vaker was het de common sense op de Wibautstraat, waar protest en kritiek altijd dienstbaarder waren aan de krant dan aan de zaak waarvoor men zei te staan, die het dagblad net voor de bocht in het spoor hield. Het kostte hooguit veel tijd, zoals bijvorbeeld in november 1981 bleek toen de redactie plenair een standpunt over de plaatsing van de kruisraketten meende te moeten bepalen.

Kortom, de Volkskrant is een krant die, wellicht als geen ander dagblad, de tijdgeest aanvoelt en daarom steeds de sanering vooruit is gebleven. Niet voor niets is de Volkskrant nu, in dit gedepolitiseerde decennium, wederom het eerste dagblad dat de journalistieke steven wendt.

Het boek van Van Vree, dat vermoedelijk wegens de tijdsdruk (het moest en zou klaar zijn voordat de krant haar 75ste verjaardag vierde) vooral over de krant gaat en slechts magertjes prikt in de maatschappelijke omgeving die haar zo systematisch heeft geïmpregneerd, moet dan ook balsem zijn op de ziel van de huidige hoofdredactie. De vierde hoofdredacteur sinds de oorlog heeft, indachtig Lücker, een 'revolutie van boven' geëntameerd. Hij heeft het moeilijk om de 'zaal' duidelijk te maken dat de wereld buiten café Hesp is veranderd. Maar met het jubileumboek in de hand kan hij aantonen dat de Volkskrant nooit bij het woord alleen heeft geleefd.

    • Hubert Smeets