Woede Wijers over Rekenkamer is teken aan de wand

De Algemene Rekenkamer heeft zware kritiek geleverd op de overheidshulp aan Fokker, DAF en NedCar. Het rapport trok veel aandacht omdat minister Wijers er woedend over was. Dat mag en politieke helderheid is prima, maar Wijers ondernam zelfs pogingen het rapport tegen te houden.

Hij zei dat het de industriepolitiek schaadt. Bovendien zou Nederland de gekke Henkie worden van Europa als steun aan de industrie volgens de regels van de Rekenkamer gemeld zou worden. Onderstaande kritiek geldt niet de inzet die Wijers aan de dag legt op het gebied van de industriepolitiek, het gaat ons om openheid en scheiding van verantwoordelijkheden.

Bij de nieuwe Mededingingswet speelt een discussie over het toezicht. Bedrijven, politici en de Consumentenbond pleiten voor onafhankelijk toezicht op de mededinging. Controle en toezicht op naleving van de wet mogen niet onder verantwoordelijkheid van de minister komen. Daar zijn goede redenen voor aan te geven. Er dreigt een belangenverstrengeling. De kwestie met de Rekenkamer bevestigt dit. De pogingen van Wijers om het rapport geheim te houden tonen aan dat er een duidelijke scheiding nodig is tussen beleidsmakers en controleurs.

Stel dat de autoriteit die toeziet op de concurrentie niet werkelijk onafhankelijk is van de minister van Economische Zaken. Een sterke sector lobbyt voor ontheffing van een verbod op prijsafspraken of zo'n sector oefent druk uit op de minister om prijsafspraken toe te staan. Of een sector vindt dat de wet wel erg letterlijk en streng toegepast wordt, terwijl men wil samenwerken of fuseren om buitenlandse aanbieders op de Nederlandse markt geen kans te geven. Er kan gedreigd worden bedrijven te verplaatsen of werknemers te ontslaan. Een minister die de wet graag wat oprekt om banen te behouden, zal dat niet openlijk toegeven.

Nog moeilijker wordt het als de minister een oogje dicht doet om bij andere gelegenheden de steun van de sector te verkrijgen, bijvoorbeeld als een wet veranderd moet worden of indien de minister een vorm van zelfregulering wil afdwingen. Een goede ambtelijke dienst zal daarom discreet handelen. Zij zal in rapportages de nadruk leggen op argumenten die aangeven dat de sector conform de wet handelt. Toch zal blijken dat er twijfel bestaat over de toepassing van de wet. Anders wordt de minister aangesproken op zijn toegeeflijkheid. De minister is immers bang door te gaan voor de gekke Henkie van Europa. Zo wordt verdoezeld dat de minister politieke argumenten aanwezig acht om een uitzondering te maken op de in de wet vastgelegde en door het parlement goedgekeurde regels.

Een onafhankelijke toezichthouder zal niet in de verleiding komen om de wet om politieke redenen soepel te hanteren. De afweging wat conform de wet is en wat niet, zal alleen op juridisch-economische gronden gemaakt worden. Dat schept vertrouwen in de mededinging. Gelijke gevallen zullen gelijk worden behandeld. Grote jongens als Shell of ABN-Amro krijgen dezelfde strenge behandeling als de kleinere bedrijven op de markt. Een afspraak tussen melkhandelaren wordt net zo behandeld als een afspraak tussen de landelijke dagbladen. In Duitsland functioneert het onafhankelijke Bundeskartellamt op die manier. In Zweden is inmiddels gekozen voor dezelfde vorm. Onafhankelijk toezicht kan dus uitstekend vorm krijgen.

Dit alles hoeft niets af te doen aan de verantwoordelijkheid van de politiek. Integendeel! Een sector kan immers na een negatieve uitspraak van de mededingingsautoriteit de politiek benaderen. Op die manier krijgt de politiek het primaat regels te stellen en in alle openheid te discussiëren over uitzonderingen. Dit kan leiden tot andere regels als blijkt dat de regels te streng waren. Of tot een beter doordacht industriebeleid. De minister wordt beschermd tegen grote druk van sectoren om de regels soepel uit te leggen zonder dat te verantwoorden. Er komt een politieke discussie. Het primaat van de politiek is zo beter gewaarborgd dan bij een schimmige afweging die niet openbaar wordt. Het parlement wordt niet buiten spel gezet.

Wij zeggen niet dat Wijers bij Fokker onverstandig opereerde. Hij heeft blijk gegeven van een enorme inzet. Maar zijn pogingen om een rapport van de Algemene Rekenkamer tegen te houden geven aan dat hij sommige feiten liever buiten de politieke discussie houdt. Of dat bij het industriebeleid verstandig is, lijkt ons een afweging voor de politiek. Best mogelijk. Bij het mededingingsbeleid is het in elk geval onverstandig. Dat geldt ook voor het toezicht op voormalige nutssectoren, zoals de telecommunicatie of de elektriciteitssector. Al was het maar omdat het vertrouwen in een eerlijke en onafhankelijke toetsing van de regels groter zal zijn als wij allemaal kunnen vertrouwen op gelijke behandeling in gelijke gevallen. In de discussie die de Kamer met Wijers zal voeren over de nieuwe Mededingingswet moet dit daarom rechtgezet worden. Er is een duidelijke scheiding nodig tussen beleidsmakers en toezichthouders. Dat voorkomt elke schijn van belangenverstrengeling en schept duidelijkheid in de controle op eerlijke concurrentie.