Stilte

Aangezien het niet eenvoudig was voor een redelijke prijs een etage in een nette buurt te krijgen, had mijn moeder, die ons te kleine, vochtige huis in de Willebrordusstraat wilde ontvluchten, roekeloze beloften gedaan aan de heer Rijlaard, eigenaar van een pand in de Jacob Catsstraat, dat met een blinde muur, waarop de restanten zichtbaar waren van een verregende reclame voor abdijsiroop, aan het plein rond de Noorderkerk grensde.

Omdat het echtpaar Rijlaard zelf het benedenhuis bewoonde, bleken er aan het betrekken van de bovenverdieping bepaalde voorwaarden te zijn verbonden, die op straffe van onmiddellijke huuropzegging dienden te worden nageleefd. Zo mocht er volstrekt niet worden onderverhuurd, moest er zowel overdag als 's nachts absolute stilte in acht worden genomen en was het niet toegestaan 's avonds na tienen nog bezoek te ontvangen.

Gezien de schappelijke huurprijs, de aantrekkelijke ligging - de Zwartjanstraat met een keur van winkels was vlak om de hoek - en de royale ruimte van een voor- en achterkamer met twee alkoven ertussen en een zijkamer aan het eind van de gang, had mijn moeder blindelings in alles toegestemd zonder mijn vader erin te kennen en hem voor het blok gezet door de huisbaas van de Willebrordusstraat meteen de huur op te zeggen en die van de felbegeerde etage in de Jacob Catsstraat overhaast een maand vooruit te betalen.

Aanvankelijk speelde ons leven binnenshuis zich tot grote ergernis van mijn vader hoofdzakelijk op kousenvoeten af en vermeden we zelfs, op angstig aandringen van mijn moeder, iedere stemverheffing, hetgeen het voordeel had dat de vele onenigheden tussen mijn ouders, die het zelden met elkaar eens waren, in de kiem werden gesmoord. Ook werd familie en vrienden die ons kwamen bezoeken verzocht de buitendeur behoedzaam te sluiten en geruisloos de trap te bestijgen, wat met veel hilariteit gepaard ging en een extra attractie voor mijn schoolvriendinnetjes vormde, die zich onderdrukt proestend en giechelend aan onze ongewone huisregels trachtten te houden.

Ons voorbeeldige gedrag bleek zozeer de goedkeuring van de onderburen weg te dragen dat wij nu en dan boven het zinken plat waarop onze huiskamer uitkwam de sneeuwwitte baard van meneer Rijlaard zagen verschijnen, die ons, staande op een ladder, een kom versgeplukte moerbeien aanbood uit zijn tuin, waarin ik op mijn vrije middagen soms werd uitgenodigd te komen spelen. Om de goede stemming niet te bederven mocht ik dat van mijn moeder niet weigeren, al kon ik er niets anders doen dan braaf achter mijn poppenwagen heen en weer wandelen onder de oude vruchtbomen en theedrinken in de serre, waarbij het taartje het enige lichtpunt was. Want zodra ik het schemerige, doodstille benedenhuis betrad, overviel me een onuitsprekelijke beklemming (de Rijlaards hadden indertijd hun enige zoon verloren), die vergezeld ging van een zekere angst voor deze twee bejaarde zonderlingen, van wie de streng christelijke man het ambt van diaken in de Noorderkerk bekleedde en de vrouw, die een bobbeltje - net een blauwe bosbes - op haar onderlip had, een klein, kromgegroeid heksje leek.

Nadat er echter een woordenwisseling tussen mijn vader en de Rijlaards was ontstaan, bekoelde de verstandhouding en was ik op slag van hun mistroostig gezelschap verlost. Oorzaak waren de decorstukken en andere toneelattributen die op zolder lagen opgeslagen en af en toe aan een touw uit het dakraam omlaagzakten om in een gereedstaande bestelauto naar een of andere feestzaal te worden vervoerd, waar mijn ouders 's avonds moesten optreden. Hierdoor kwam aan het licht dat mijn moeder tegen onze huisbaas had gelogen over het beroep van mijn vader en dat hij niet langer het kappersvak beoefende, zoals zij had gesuggereerd, maar - in de woorden van de diaken - 'een kermisklant' was, die 'zijn brood met zondig vermaak verdiende'.

De tweede, nog ernstiger zonde die mijn moeder in het geheim beging was het om financiële redenen verhuren van de zijkamer aan Greet, een grote, blonde vrouw - bezigheden buitenshuis hebbende, volgens de advertentie in het Rotterdamsch Nieuwsblad - die beweerde in een restaurant te werken, en die zich iedere nacht met haar schoenen in de hand terugtrok in het verboden slaapvertrek aan het eind van de gang. Hoe Rijlaard erachter is gekomen hebben we nooit geweten. Misschien hebben onze bovenburen van de tweede verdieping ons verraden, een weduwe De Boer met haar ongetrouwde zoon; maar hoe dan ook, ons werd meteen de huur opgezegd, die mijn vader desondanks op de laatste dag van de maand in een gesloten envelop in de brievenbus van het benedenhuis deponeerde (op zijn aanbellen werd niet opengedaan), waarna deze een paar uur later ongeopend weer in onze bus belandde. Deze stilzwijgende strijd bleef zich wekenlang herhalen, tot mijn vader, die onze huisbaas Rijlaars noemde en de verplichte stilte niet meer in acht nam, er genoeg van kreeg, en mijn moeder weer naar een etage voor een redelijke prijs in een nette buurt begon te zoeken.

Kort voor we vertrokken - we hadden er nauwelijks een jaar gewoond - verdween Greet en werd ik op de valreep voorgelicht door Madeleine, een buurmeisje van de overkant met springerig blond haar dat in twee vlechten over haar prille borsten hing en mooie, bijziende ogen achter dikke brillenglazen. Na schooltijd zat ze dikwijls op de stoep voor haar huis en wilde niet met me spelen, maar wel praten, zodat we eindeloos op het trottoir tussen de Noordmolen- en de Erasmusstraat heen en weer drentelden. Ze was al twaalf jaar en had het altijd over verliefd zijn en haar oudere zuster, die ze bespioneerde als deze met haar verloofde in het portaal stond te vrijen, en ofschoon het stomvervelende verhalen waren, liet ik dat niet blijken uit angst kinderachtig te worden gevonden. Alleen toen ze op samenzweerderige toon informeerde of ik wist waar de kinderen vandaan kwamen (hetgeen ik moest ontkennen), luisterde ik met argeloze belangstelling, maar al gauw met stijgende ontzetting naar haar relaas.

Eerst deed je het met elkaar, begon ze met een veelbetekenende blik die verdere uitleg in de kiem smoorde; daarna werd je heel dik, vervolgde ze achter haar hand, terwijl haar middelvinger telkens het brilmontuur omhoogschoof, en dan sneed de dokter je buik met een mes open en kwam het kind eruit. We waren juist de hoedenwinkel van mevrouw Siere op de hoek van de Erasmusstraat genaderd, en kijkend naar de fantasieloze modellen op de hoge, smalle vazen in de etalage, voelde ik instinctief dat Madeleines verhaal op waarheid moest berusten - en plotseling wist ik met ontstellende zekerheid dat ik in de tuin van Rijlaard voor het laatst achter mijn poppewagen had gelopen.

    • Tonny van der Horst