Oplossing klimaatproblemen vergt veel meer engagement

Tussen woord en daad in het milieubeleid gaapt een diepe kloof, aldus Eric Ferguson. Hij vindt dat we niet moeten wachten tot de wal het schip keert, maar moeten ingrijpen, bijvoorbeeld met een mondiale koolstofheffing.

Men moet zich verbazen en verheugen dat het in 1992 lukte in Rio een klimaatverdrag te sluiten, de zogenoemde Raamconventie betreffende Klimaatverandering (FCCC). In welke mate ons menselijk handelen het klimaat beïnvloedt is immers nog onzeker, en pas bij volgende generaties kunnen de effecten ernstig worden. Desondanks is de politieke wil ontstaan om uit voorzorg paal en perk te stellen aan de emissies van broeikasgassen.

Van de broeikasgassen is de kooldioxide (CO2) die ontstaat uit fossiele brandstoffen de grootste boosdoener. Andere broeikasgassen vormen een geringer probleem. Hoe scherp de CO2-emissiegrenzen moeten worden gesteld, is nog allerminst duidelijk. Velen denken aan stabilisatie nabij het huidige niveau van zo'n zes miljard ton koolstof per jaar, sommigen willen nog enige groei toelaten, anderen bepleiten een verdere reductie.

Al deze emissie-niveaus hebben één ding gemeen: ze liggen ver onder de emissies van 12 of meer miljard ton, die tegen het midden van de volgende eeuw zullen ontstaan bij voortgaande economische groei in Noord en Zuid, indien fossiele brandstoffen onbelemmerd tegen vrije marktprijzen beschikbaar blijven. Tegen die tijd zullen de huidige ontwikkelingslanden meer CO2 emitteren dan de rijke landen. Zo gaat China zijn enorme voorraden kolen, helaas net de brandstof die relatief het meeste CO2 produceert, op grote schaal gebruiken.

Er is geen enkele twijfel dat dergelijke hoge emissies tot aanzienlijke klimaatverandering leiden. Stevige ingrepen in de vrije energiemarkt zijn dus in ieder geval nodig. Tussen de intenties, vastgelegd in het klimaatverdrag, en de daad is er nog een grote kloof. Een aantal rijke landen heeft zich verplicht om in 2000 hun CO2-emissies te stabiliseren op het niveau van 1990 of iets lager, maar geen van deze landen zal zelfs deze zeer bescheiden doelstellingen halen.

Nederland heeft in het aankaarten van de klimaatproblematiek, en ook in Rio en daarna, steeds een voortrekkersrol gespeeld. Maar de feitelijk genomen maatregelen zijn zwak. Zo is er nog steeds geen ferme koolstofheffing. Ook de klimaatcommissie van de Tweede Kamer, die onlangs rapporteerde, constateert de noodzaak van snelle en effectieve maatregelen, maar kon niet komen tot expliciete aanbevelingen.

Verbazend is deze discrepantie tussen woord en daad niet. Het hoge energiegebruik zit diep in de samenlevingsstructuur ingebakken. De verandering daarvan raakt grote belangen. De ontwikkelingslanden hebben geen toezeggingen gedaan. Zo dreigt het zo veelbelovende verdrag te weinig en te laat emissievermindering op te leveren. Een riskante klimaatverandering wordt dan onvermijdelijk. Als er geen doorbraak komt naar een forse wereldwijde beperking van de toekomstige emissies, zou de politieke wil achter het verdrag wel eens kunnen overgaan in moedeloosheid.

Voor zo'n doorbraak is in de eerste plaats nodig dat er een gemeenschappelijke toekomstvisie komt, die aangeeft welk laag CO2-niveau men wereldwijd wil nastreven, en langs welke weg men dit kan bereiken. Niet datgene dat nu politiek haalbaar is mag bepalend zijn; de veel forsere ingrepen die nodig zijn moeten politiek haalbaar worden gemaakt.

Een blijvende begrenzing aan fossiele brandstoffen vereist ook nieuwe internationale en nationale instituties, nieuwe technologieën en veranderingen in leefpatronen, zowel in Noord als in Zuid. Dit zijn allemaal zaken van lange termijn, die vroeg moeten worden aangepakt.

Vooral de ontwikkelingslanden zullen het meest lijden van een ernstige klimaatverandering. Nabij het bestaansminimum mist men de mogelijkheden tot aanpassing. Voor hun ontwikkeling is echter een toename van hun nu zo lage energieverbruik onmisbaar. Zij willen geen afstand doen van goedkope fossiele energie, om een probleem op te lossen dat - naar hun overtuiging - de rijke landen hebben veroorzaakt.

Toch moeten deze landen de noodzaak tot CO2-beperking voelen, zodat zij een richting van ontwikkeling kiezen, die menselijk welzijn biedt zonder overmatige CO2-emissie. Als zij eerst de energieverspilling van het Noorden navolgen, moeten zij later hun structuren weer ombuigen, want straks zullen de emissies uit het Zuiden overheersen.

De arme landen zullen alleen de CO2-emissies willen begrenzen als zij compensatie krijgen. Het zoeken naar een aanvaardbare lastenverdeling tussen Noord en Zuid vereist veel vooroverleg. De huidige onevenwichtige verdeling is voor het zuiden onaanvaardbaar. De moreel meest billijke oplossing, die alle mensen een gelijk (en verhandelbaar) deel toekent van de beschikbare emissies, zal voor de rijke landen politiek nooit haalbaar zijn.

Voor de uitvoering van het klimaatverdrag is tot nu toe de weg gekozen van onveranderde wereldmarktprijzen en nationale emissie-doelstellingen. Elk land beslist vrij hoe het zijn doelstelling zal bereiken, door belastingen, subsidies, geboden, verboden en vergunningen.

Voor marginale emissiebeperkingen lukt dit wel, maar zodra men forse beperkingen nastreeft zullen de verschillen tussen de landen leiden tot concurrentievervalsing, tot fragmentatie van de wereldmarkten voor energie en voor energie-verbruikende apparatuur, en tot talloze mogelijkheden voor 'creatieve commercie' en fraude.

Alle pogingen tot harmonisatie, 'Joint Implementation' en dergelijke zijn slechts lapmiddelen om deze in wezen verkeerde aanpak te maskeren. Op den duur is dit een doodlopende weg.

Het verbruik van fossiele energie wordt niet op nationaal niveau beslist, maar door miljarden micro-beslissingen van vrije economische actoren op grond van de randvoorwaarden die zij zelf ervaren. Bij gegeven prijzen kan de overheid het verbruik alleen terugdringen door gedetailleerde regelgeving, die deze microbeslissingen zo veel mogelijk ombuigt in de gewenste macro-richting - met alle daarbij horende bureaucratie. Daar slechts een deel van de CO2-emissie voor regelgeving toegankelijk is, wordt dat deel van de economie extra zwaar getroffen.

De effectieve en efficiënte aanpak is te zorgen dat micro-economische randvoorwaarden overeenstemmen met de gewenste macro-resultaten. Uit de economie is zo'n weg bekend: een mondiale koolstofheffing, zó hoog dat net de toelaatbare hoeveelheid fossiele brandstof wordt verbruikt. Men kan dit bijvoorbeeld bereiken door de extractie van fossiele brandstoffen te koppelen aan 'extractie-certificaten', die per opbod worden verkocht. De opbrengsten worden volgens een sleutel verdeeld. Natuurlijk zijn daarnaast nog vele ondersteunende maatregelen nodig.

Men kan de huidige situatie als volgt samenvatten: alle politiek haalbare methoden tot implementatie van het verdrag zijn inefficiënt en onvoldoende effectief; alle efficiënte en effectieve methoden zijn politiek onhaalbaar.

De toekomstige lage-CO2-samenleving hoeft geen lage-energieeconomie te worden; tegen duurzame energiebronnen bestaat uit klimaatoogpunt geen bezwaar. Duurzame energiebronnen en besparings-technieken zijn in principe bekend, maar nu nog te duur. Ze zullen pas op grote schaal worden ontwikkeld als er een markt voor is.

Hun introductie kan aanzienlijk worden versneld door onderzoek en ontwikkeling op deze gebieden te bevorderen. De bedragen die wereldwijd hieraan worden besteed zijn ridicuul laag vergeleken met de ernst van de problematiek.

Wij staan voor de uitdaging om, door innovatief denken, werkbare oplossingen te ontwerpen die billijk zijn, zowel tussen landen als daarbinnen, effectief, en economisch efficiënt. Zulke oplossingen moeten politiek haalbaar worden gemaakt.

De formele FCCC-onderhandelingen van regeringen met hun experts zijn voor dit zoeken niet geschikt. Hier ligt een taak voor informele internationale niet-gouvernementele organisaties, maatschappelijke groeperingen en ook het bedrijfsleven. Zij kunnen een forum bieden waarin innovatief beleidsdenken tot zijn recht kan komen. Pugwash wil hier naar vermogen aan bijdragen.

Het bedrag dat in duurzame energie wordt gestoken is ridicuul laag vergeleken met de ernst van de problematiek

    • Eric Ferguson