Onderzoek bij politie van Zuid-Limburg; Opsporing staat centraal

MAASTRICHT, 7 NOV. De hoofdofficier van justitie in Maastricht heeft een strafrechtelijk onderzoek gelast naar de illegale methoden die het politiekorps Zuid-Limburg zou hebben gehanteerd bij het opsporen van drugsdelicten. Er zouden in vier gevallen strafbare feiten zijn gepleegd.

Vorig jaar heeft de rijksrecherche een oriënterend onderzoek gedaan naar een reeks van 21 herkenbare incidenten met mogelijk strafvorderlijke aspecten. Aanleiding daarvoor waren de ontboezemingen van een politieman, die eind vorig jaar last kreeg van zijn geweten en met zijn verhaal naar de rijksrecherche stapte. Daar biechtte hij een lange reeks illegale praktijken op die hij en zijn teamgenoten vooral hanteerden om tussen 1991 en 1995 twee beruchte amfetaminehandelaren, Robbie van L. en Peter van D., te observeren.

Tijdens de behandeling van hun zaak is het openbaar ministerie tot twee keer toe niet-ontvankelijk verklaard, maar na een slepende procedure zijn de twee uiteindelijk veroordeeld tot respectievelijk zeven en negen jaar gevangenisstraf. Hun advocaat, Th. Hiddema, stuurt nu aan op revisie van hun proces.

Hiddema zegt over een grote hoeveelheid materiaal te beschikken dat zeer belastend is voor de politie. Hij zegt niet te begrijpen dat het onderzoek zich tot vier gevallen beperkt.

Tot de praktijken die aan het licht zijn gekomen door toedoen van de berouwvolle politieman behoren illegale inkijkoperaties en afluisterpraktijken, waarvan niets op papier werd gezet en die achteraf werden witgewassen door legaal verkregen informatie. Ook is er sprake van ongeoorloofde infiltratie in de organisatie van Van L. en Van D. en van illegale uitleveringen van drugscriminelen aan Duitsland. Dat laatste gebeurde door verdachten vrij te laten en hen onder valse voorwendsels over de Duitse grens te lokken, waar de Duitse politie klaar stond om hen te arresteren. Ook zou de politie in een geval een infiltrant bewust als verdachte hebben doorgelaten tot een rechtszaak. Dat gebeurde om te voorkomen dat hij als infiltrant door zijn medeverdachten zou worden ontmaskerd en dat vervolgens zou blijken dat de infiltratie in strijd met de regels was. Volgens advocaat Hiddema werd de man op wonderbaarlijke wijze vrijgesproken, maar heeft hij later tegenover hem bekend dat hij in opdracht van de politie heeft gehandeld.

Eerder dit jaar heeft het Kamerlid Hillen (CDA) vragen gesteld aan de minister van Justitie over een aantal van de uitgelekte praktijken, maar de minister antwoordde toen dat daar geen geval tussen zat waarin de politie over de schreef was gegaan. Ook de korpschef van de regio Zuid-Limburg verklaarde eerder dit jaar na een onderzoek van de rijksrecherche dat er zich inderdaad dubieuze praktijken hadden afgespeeld, maar dat daar in 1995 een eind aan was gemaakt.

Dat er nu toch een strafrechtelijk onderzoek is gelast verklaart de woordvoerder van het openbaar ministerie in Maastricht uit het feit dat er twee verschillende trajecten bestaan in het onderzoek naar de strafbare feiten, een naar aanleiding van berichten in de pers en een ander naar aanleiding van de verklaring van de politieman/spijtoptant. Wat op dit moment precies wordt onderzocht wil de politie - in het belang van het onderzoek - niet zeggen.