Nog is het hoorspel niet verloren; Pfffui, pfffui doet de windmachine

In de jaren vijftig beleefde het hoorspel zijn hoogtepunt terwijl het nu slechts een uurtje zendtijd per week krijgt. Waar bij de publieke omroepen uitzending afhankelijk is van een toevallig actieve hoorspel-liefhebber, is in de regio sprake van een opleving. In Drenthe is er zelfs een 36-delige soap gemaakt. De werdegang van 'een schitterend genre'.

De grindbak staat er nog. Op de vloer ligt bovendien het verfrommelde hoopje geluidsband, voor het geluid van voetstappen op ritselende herfstbladeren. In de muur is een autoportier ingebouwd en ook de benodigde traptreden zijn nog te gebruiken. Alles is aanwezig om hier een hoorspel te maken. Maar verder maakt deze studioruimte een ietwat onttakelde indruk. Tot zijn schrik ziet KRO-redacteur Louis Houët dat er zelfs gipsplaten klaar liggen. Als die op de muren en het plafond worden bevestigd, is het afgelopen met de droge akoestiek die onontbeerlijk is voor het genre.

“Hoe kunnen ze dat nou toch doen?” mompelt Houët. “Dit was de laatste traditionele hoorspelstudio. Er is er nu voor de hele omroep nog één waarin we kunnen werken, de digitale Audio 2, maar die heeft veel minder akoestische mogelijkheden. Het hoort er namelijk allemaal bij, de trappen, het aparte hokje, de dooie ruimte voor scènes die zich buiten afspelen - hoe modern je ook bent, dat heb je nodig. Laatst heb ik noodgedwongen een jeugdhoorspel opgenomen in het Walter Maas-huis in Bilthoven; gewoon omdat er in Hilversum geen ruimte was. Terwijl hier bij de KRO, onder ditzelfde dak, zo'n uitstekende hoorspelstudio als deze wordt ontmanteld. Dat is geen prettig gezicht voor iemand als ik, die het hoorspel nog steeds beschouwt als een schitterend genre.”

Louis Houët laat zijn bezoek het onttakelde studiootje zien, waarin alleen met een buitengewoon levende fantasie nog de echo's kunnen worden opgeroepen van de gloriedagen, toen de grindbak, het vertrapte hoopje opnameband, het autoportier en de traptreden de suggestie wisten op te roepen van dreigende voetstappen rond het huis, knerpend gedwaal door een duister bos en de lugubere geluiden in een verlaten villa. Hij vertelt van “het bedreigde bestaan” van het kleine groepje Hilversumse programmamakers dat zich nog met geestdrift wijdt aan het voortbestaan van het hoorspel en wijst met nauwelijks verholen afgunst op het grote aantal hoorspelen dat tot op de dag vandaag niet alleen in grote-mensenlanden als Duitsland en Engeland wordt gemaakt, maar zelfs in een landje als Litouwen. “Het dédain waarmee er hier soms over wordt gesproken, is daar volstrekt afwezig. En hier houden wij met moeite het hoofd boven water.”

Eén uur per week is er in Hilversum nog voor, op de zondagmiddag op Radio 4, van vijf tot zes. Maar ook dat stond de afgelopen weken op losse schroeven. Radio 4, immers bedoeld voor klassieke muziek, was niet ongenegen om er afstand van te doen. Het alternatief, een wekelijks uur op Radio 5, was voor de makers echter onverteerbaar wegens de gering geachte geluidskwaliteit van de middenzender. De hoorspelmakers hielden hun hart vast en konden pas vorige week een zucht van verlichting slaken, toen bleek dat Radio 4 het oneigenlijke uur weer genadiglijk heeft teruggenomen. Vanaf 1 januari krijgt het hoorspel zendtijd op de zondagavond, van zeven tot acht.

“Niet slecht”, zegt Houët, die tevens voorzitter is van de omroepbrede hoorspelwerkgroep, “als er maar behoorlijk propaganda voor wordt gemaakt.” En als er nog maar voldoende hoorspelen worden geproduceerd, want van de negen grote omroepen zijn er tenminste vier (VARA, VPRO, EO, NOS) die niets of vrijwel niets meer maken, en één die nog slechts ad hoc iets doet (de AVRO). De andere vier komen niet veel verder dan een stuk of acht producties per jaar.

Hoe anders was dat vroeger. “Elke week zijn er zes, zeven en soms meer hoorspelen nodig”, schreef de in het genre gespecialiseerde regisseur S. de Vries jr. in 1948 in zijn boekje Ruiters op de Aethergolven. “Dat wordt dus ruim dertig per maand.” Zelfs toen Houët in 1973 bij de KRO kwam, waren daar nog twee hoorspelregisseurs, een dramaturg en een productiemedewerker in vaste dienst, omdat er elke twee weken minstens één uitzending moest worden geproduceerd. Nu vormen die dertig uit 1948 om en nabij de score van een heel jaar.

Wanneer precies het eerste echte hoorspel in Nederland werd uitgezonden, staat niet vast. De sterkste papieren lijkt de radio-pionier Willem Vogt te hebben, die in 1924 als verkoopchef bij de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek ook verantwoordelijk was voor de programma's die de NSF uitzond ter promotie van de radio-ontvangers. In dat jaar fungeerde hij, blijkens zijn memoires, als auteur, producer èn regisseur van het historische hoorspel Het turfschip van Breda. “Er konden - pecuniawege - geen echte acteurs worden uitgenodigd”, aldus Vogt, “zodat enige figuren uit de fabrieksstaf werden aangetrokken om de rollen te bezetten. De hoofdrol was toebedeeld aan 'dikke' De Ruyter, een massieve figuur, die dienst deed als stoker bij de centrale verwarming. Hij behoefde alleen zichzelf te zijn en niet in de huid van een ander te kruipen.”

In de kinderschoenen was het hoorspel vooral een voor de microfoon gespeeld toneelstuk, waarbij de omroeper volgens S. de Vries jr. elke scènewisseling diende te verklaren: “We bevinden ons ten huize van meneer Die of mevrouw Zoo. Het is vijf uur in den morgen. Meneer Zoo is bezig met...” Of: “Het is nu twee dagen later en...” Dat zulke bijzonderheden ook uit de dialoog of uit de geluidseffecten konden blijken, moesten de Nederlandse hoorspelmakers leren uit de Engelse en Duitse scripts die ze, bij gebrek aan eigen makelij, lieten vertalen. Nederlandse schrijvers op enig niveau waren er niet of nauwelijks in geïnteresseerd. “Slechts een enkele schrijver van beteekenis waagde zich zoo nu en dan eens aan een luisterspelletje”, aldus het voorwoord van het boekje Het luisterspel bekeken uit 1941, waarmee de nazistische Nederlandsche Omroep zijn voornemens op dit gebied kracht bijzette. “En als wij wilden spreken over schrijvers van naam, zou het aantal nog veel geringer zijn.”

Maar intussen was het genre in de jaren dertig, vooral dankzij spannende series van buitenlands fabrikaat, wel buitengewoon populair geworden. De uit Engeland geïmporteerde detective-reeks Paul Vlaanderen, later uitgegroeid tot het spreekwoordelijke voorbeeld van het traditionele hoorspel, begon al vóór de oorlog. In de jaren vijftig oogstten Jan van Ees als Paul Vlaanderen en Eva Janssen als zijn vrouw Ina nationale roem. Het was voor Donald de Marcas, die in 1957 als aankomend talent bij de hoorspelkern ging werken, dan ook een hele eer om naast zulke sterren op te treden als de huisknecht Charley (trefwoord: “Okidoki!”). Hij was de vijfde en de laatste; toen Van Ees in 1966 stierf, verdween daarmee ook Paul Vlaanderen.

De windmachine, het bellenbord en de als galopperende paarden fungerende cocosnoten werkten in die dagen op volle toeren, en de leden van de hoorspelkern - onder wie onvergetelijke namen als Dogi Rugani, Fé Sciarone, Huib Orizand, Jan Borkus en Paul van der Lek - repten zich van studio naar studio om aan de grote vraag naar hoorspelen te voldoen. “De belangstelling voor het hoorspel is groot en nog steeds groeiende,” schreef S. de Vries jr. in 1948. “Laten zij, die daarvoor verantwoordelijk zijn, er dan ook voor zorgen, dat het de kansen krijgt, die het onder de omstandigheden van nu, kan krijgen. Het is een kind vol beloften.”

In de loop van de jaren zestig begon de glorie echter, mede onder invloed van het opkomende tv-drama, danig te verbleken. Ook ging de langzamerhand ietwat stereotype voordracht van steeds weer dezelfde acteurs op de lachspieren werken. Donald de Marcas verwijst, overigens sans rancune, naar de cabaretier Fons Jansen, die er in een treffende conférence de spot mee dreef. Vooral de geparodieerde aftiteling (tuinhek: Donald de Marcas) leidde bij het publiek tot grote hilariteit.

Volmondig geeft De Marcas bovendien toe dat de acteurs zich in de enigszins geestdodende omgeving van een gemiddelde radiostudio de routine niet altijd van het lijf konden - en kunnen - houden. “Het grote voordeel van de hoorspelkern was dat al die mensen zó de kneepjes van het vak kenden, dat ze altijd snel inzetbaar waren. Het was een hoorspelfabriek, en daar had je een vaste groep acteurs voor nodig. Aan de andere kant was het nadeel dat dan natuurlijk de oppervlakkigheid op de loer lag. Maar ook nu de acteurs allemaal mensen van het toneel zijn, hoor ik slechte dingen. Niet genoeg gerepeteerd, veel te oppervlakkig. Lang niet altijd wordt de quintessens uit de zinnen gehaald. Je hoort ze ook zeggen: ik heb vandaag een radiootje te doen. Alsof het een minderwaardige kunstvorm zou zijn. Ze zeggen nooit: ik heb een televisietje.”

Tot in de jaren zeventig straalde het hoorspel ook nog iets uit van de diverse omroep-identiteiten, zo bleek uit de studie Het Nederlandse hoorspel van C. Bulte. Globaal samengevat werden de protagonisten in VARA-hoorspelen doorgaans geattaqueerd door hun maatschappelijke omstandigheden, terwijl het lot van de NCRV-figuren meer in zekerheden was verankerd en de KRO-personages daarentegen door gevoelens van twijfel of vergevingsgezindheid werden voortgedreven. Intussen hield de AVRO zijn detective-traditie in ere en de NOS voldeed aan zijn wettelijke taak om minderheden een stem te geven.

Zo is het nu niet meer, beaamt Louis Houët. Het hoorspel is persoonsgebonden; zodra een omroep niet toevallig een actieve hoorspel-liefhebber in huis heeft, is het genre reddeloos verloren. Een laatste krachttoer van zijn werkgroep was het voorstel om voor 200.000 gulden bij de NOS een centrale hoorspelredactie onder te brengen, met de zeer actieve Marlies Cordia van de TROS als beoogd eindredacteur. “Maar dat was eind vorig jaar, toen de omroepen net hun strijd tegen een gemeenschappelijk Radio 1-journaal hadden verloren. Er heerste een katterig gevoel, en niemand had er oren naar om wéér iets gezamenlijks op te zetten.”

Het tegenovergestelde gebeurde: een door de omroepen gefinancierd fonds van 600.000 gulden per jaar, bestemd voor de honoraria van hoorspelacteurs, werd per 1 januari opgeheven. Het geld ging terug naar de omroepen, die er voortaan mee mogen doen wat ze willen. Daarmee is volgens Houët “een belangrijk stukje bescherming voor het hoorspel” verdwenen. Een rechtstreeks gevolg was, dat de TROS - door de inspanningen van Cordia jarenlang de grootste hoorspelproducent van Hilversum - onmiddellijk de kans greep om te bezuinigen: van achttien naar zes tot acht hoorspelen per jaar. Marlies Cordia, die in 1988 een Reiss-microfoon kreeg voor een grote reeks Vestdijk-bewerkingen, meldde zich ziek en is sinds 15 oktober niet meer bij de TROS in dienst.

In schril contrast met het futloze voornemen om het hoorspel “in stand” te houden, zoals het een jaar geleden in de NOS-notulen werd vastgelegd, staat de regionale opleving. Radio Drente heeft twee jaar geleden zelfs een 36-delige soap gemaakt met een groep amateuracteurs, die zich vervolgens hebben aaneengesloten tot de vereniging Multiple Voice. Met negen lokale stations is intussen een convenant gesloten om regelmatig hoorspelen te maken en uit te zenden. Ook de aanstaande Dag van het Hoorspel in Assen (zie hiernaast) is een initiatief van deze vereniging. “Het aardige is”, zegt Hans Schaap van het mede-organiserende Kunst & Cultuur Instituut Drente, “dat veel jongeren, die het medium hoorspel helemaal niet meer kennen, aanvankelijk dachten dat het een soort televisie zonder beeld was - en dat ze, nu ze er iets van hebben gehoord, zeggen: verrek, wat leuk. Het hoeft dus absoluut niet uit te sterven. Als je het maar veelzijdig gebruikt, dus óók voor een soap en bijvoorbeeld óók voor docudrama. Niet alleen het nogal eenzijdige aanbod van literaire hoorspelen, zoals dat in Hilversum wordt gemaakt.”

Louis Houët schudt in de lege hoorspelstudio het hoofd en noemt de gemiddelde prijs van een hoorspel: 30.000 gulden. “En als je nagaat dat er gemiddeld 30 tot 50.000 luisteraars zijn”, zegt hij, “dan komt dat neer op één gulden per stoel. Bij het toneel redden ze het daar niet voor.”

Donald de Marcas vergelijkt die luistercijfers met de gemiddelde dichtbundel, waarvan de oplage de duizend zelden overschrijdt, en concludeert dat het dus nog wel meevalt. “Het hoorspel is ook niet alleen voor zieken, blinden en bejaarden. Het heeft een heel trouwe kern van luisteraars. Er is geen enkele reden om er lacherig over te doen. Ik denk ook dat er nog wel groeimogelijkheden zijn. Paul Vlaanderen zou nu niet meer kunnen, maar voor het belletristische hoorspel zie ik het echt niet zo somber in. Of ben ik nu tegen beter weten in aan het praten? Misschien.”

De Dag van het Hoorspel wordt zaterdag 9 november gehouden in het ICO-gebouw, Zuidhaege 2, in Assen, van 11 tot 21u30. Het programma omvat sprekers als hoorspelredacteur Louis Houët en -regisseur Hans van Hechten, ter plekke opgevoerde hoorspelen met vertrouwde acteurs als Piet Ekel, Corrie van der Linden en Paula Majoor, een tentoonstelling van geluidsattributen (inclusief windmachine en grindbak), een overzicht van de hoorspelgeschiedenis in woord, beeld en geluid, workshops met de aartsverteller Willem de Ridder en de acteurs Jaap Maarleveld en Manon Alving, een kinderprogramma over het maken van een hoorspel en een optreden van de actrice Emmy Lopez Dias.

Toegang: ƒ 15 voor volwassenen en ƒ 7,50 voor kinderen tot twaalf jaar.

Inl 0592-412985.

    • Henk van Gelder