Misdaad loont wel degelijk

Dierproeven wijzen uit dat gewenst en ongewenst gedrag valt te beïnvloeden door straffen en belonen. Justitiële straffen hebben geen invloed op het gedrag van de mens. Helaas.

HET WETBOEK van Strafrecht bestaat voor het grootste deel uit verbodsbepalingen: het zegt ons wat wij niet moeten doen in de omgang met anderen. Om deze verboden kracht bij te zetten, is met iedere regel een (maximale) strafmaat verbonden. De gedachte is dat straf afschrikwekkend werkt, zowel voor degenen die haar daadwerkelijk ondergaan (speciale preventie), als voor hen die zien dat anderen erdoor worden getroffen (generale preventie). Dat is een oeroude gedachte, dat straf afschrikwekkend werkt.

Toch behoort het in onze dagen tot de opinions chics onder strafrechtjuristen om te zeggen dat straffen eigenlijk niet werken, zo zij al niet een averechts effect hebben. Toch blijven wij intussen criminelen wèl straffen, zodat men zich kan afvragen hoe serieus die juristen geloven in hun eigen opvatting over het effect van straffen. Hoe zit dat eigenlijk? Werkt bestraffen nu wel of niet?

Psychologen weten heel wat over straf. In hun laboratoria hebben zij duizenden ratten, duiven, katten, apen en mensen op velerlei manieren gestraft, van zeer mild tot zeer streng, opgelegd na verschillende tussenpauzes en volgens vele bestraffingsschema's.

Dit laatste behoeft enige uitleg. Met de term 'bestraffingsschema' wordt de regelmaat bedoeld waarmee straf wordt opgelegd. Hanteert men daarbij een 'vast verhoudingsschema', dan wordt straf telkens opgelegd na een bepaald aantal malen dat verboden gedrag wordt vertoond. Men kan aan zo'n schema een cijfer verbinden. Dit cijfer geeft aan om de hoeveel keren men straf oplegt. Een schema van 1 betekent dat men verboden gedrag iedere keer bestraft als het zich voordoet.

Naast een 'vast verhoudingsschema' staat een 'variabel verhoudingsschema'. Het cijfer dat met dit variabele schema is verbonden, geeft aan hoe vaak men gemiddeld straft. Ook hier geldt: hoe hoger het cijfer, hoe minder vaak straf.

Zoals ongewenst gedrag valt te bestrijden met straf, zo kan gewenst gedrag worden uitgelokt door beloningen. 'Beloningsschema's kunnen eveneens 'vast' en 'variabel' zijn en ook daaraan vallen verschillende cijfers te verbinden, die de frequentie van belonen aangeven.

De effecten op het gedrag van straffen en belonen zijn wisselend. Dit hangt (onder meer) samen met het gebruikte schema: niet alle schema's zijn even effectief gebleken voor het onderdrukken van ongewenst gedrag of het uitlokken van gewenst gedrag.

Uit onderzoek weten wij dat straf een doeltreffende gedragsonderdrukker is. Wij weten bovendien dat straf het meest doeltreffend is als zij onmiddellijk wordt opgelegd, niet te vermijden en streng, en als zij wordt gegeven volgens een vast verhoudingsschema van 1, dus telkens als het verboden gedrag wordt vertoond. In de talloze experimenten werd dit effect weliswaar verstoord door verwarrende bijverschijnselen, zoals gewenning bij langdurig straffen en spontaan herleven van het verboden gedrag na beëindiging van straffen. Maar dat doet niet af aan de conclusie dat straf leidt tot onderdrukking van ongewenst gedrag. Dat mag waar zijn, maar het resultaat is nooit blijvend, zo klagen velen. Je bestraft ongewenst gedrag totdat het verdwenen is, en zodra je je rug gekeerd hebt, herleeft het onderdrukte gedrag. Als het door straf onderdrukte gedrag op zichzelf lonend is, ligt dat ook voor de hand.

Hetzelfde doet zich voor bij gedrag dat met behulp van beloningen is aangeleerd: het verdwijnt geleidelijk als men met belonen stopt. De effecten van belonen zijn net zo tijdelijk als de effecten van straffen.

De oorzaak van die tijdelijkheid is in beide gevallen dezelfde: aanpassing aan de natuurlijke en sociale omstandigheden. De enige straf met blijvend resultaat is de doodstraf. Zolang er leven is, is er aanpassing, want dat is wat het leven gaande houdt. Dat verklaart waarom straf geen blijvend resultaat heeft. Daarover klagen is onnozel.

Het is tevens de reden waarom straf in de praktijk van het strafrecht vaak niet het gewenste resultaat heeft. Straf werkt immers het best als zij onmiddellijk wordt opgelegd, als zij streng is en niet te ontlopen, en wordt toegediend volgens een vast verhoudingsschema van 1. In de praktijk lukt het ons niet om deze ideale voorwaarden zelfs maar te benaderen. Een groot deel van de gepleegde delicten komt de politie nooit ter ore. Voor slechts een klein deel van de delicten waarvan de politie wèl hoort, slaagt zij erin een verdachte te vinden. Slechts een klein deel van de verdachten verschijnt daadwerkelijk voor de rechter en wordt veroordeeld - en dan meestal na een aanzienlijk tijdsverloop, zo blijkt uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Dat betekent dat wij in de praktijk criminelen bestraffen volgens een heel zwak variabel verhoudingsschema. Omdat de meeste delicten voor hun daders voordeel opleveren, worden de daders tezelfdertijd beloond volgens een sterk vast verhoudingsschema van vrijwel 1. Het beloningsschema is derhalve veel krachtiger dan het bestraffingsschema. Als psychologen deze condities in het laboratorium zouden herscheppen, dan zou straf ook daar nauwelijks doeltreffend blijken.

Als wij over criminaliteit spreken, dan staat ons meestal een deelverzameling van delicten voor ogen die men de 'klassieke delicten' zou kunnen noemen: diefstal en inbraak, geweldpleging en roof. Wij weten dat dit soort delicten vooral wordt gepleegd door een klein deel van de jonge, mannelijke bevolking, door criminologen wel aangeduid als de groep van 'chronische delinquenten'. Vooral voor die groep, van zeer hinderlijke criminelen, zouden wij willen dat straf zou werken. En dat is nu juist de groep voor wie dat het minst het geval lijkt te zijn.

Dat komt doordat chronische delinquenten een verschrikkelijk geheim hebben ontdekt: misdaad loont wel degelijk. De meeste criminelen lopen af en toe tegen de lamp, maar zij weten dat de kans om voor een concreet vergrijp gepakt èn gestraft te worden zeer gering is: een risico dat zij, gezien de opbrengst, niet onredelijk achten.

Met andere woorden: zij hebben ontdekt dat de belonings- en bestraffingsschema's in het criminele bedrijf in hun voordeel werken. Bovendien hebben criminelen ontdekt dat, als zij gepakt worden, de samenleving zichzelf bij het opleggen van straf om redenen van fatsoen beperkingen oplegt. Dus maken zij een cynisch rekensommetje en concluderen niet ten onrechte dat misdaad lucratief is. De klassieke delicten vormen echter slechts een deel van alle delicten. Allerlei delicten - zoals verkeersovertredingen, belastingontduiking, uitkeringsfraude en twijfelachtige handelspraktijken - worden door hun daders zelfs niet als delicten herkend. Velen van ons plegen die en vroeg of laat maken wij allemaal onze cynische rekensommetjes. Ieder van ons schijnt recht te kunnen doen gelden op een aandeel in de markt van zwendel en bedrog. Maar sommigen tonen zich daarbij wat al te inhalig en proberen meer dan hun 'gerechte' deel binnen te halen. Dàt soort mensen willen wij afstraffen, omdat zij een markt verstoren waarin wij allemaal een aandeel hebben.

Willen wij daar verandering in brengen? Niet echt, zo lijkt het. Daarvoor zijn verschillende redenen aan te wijzen. De meest banale daaronder is wel dat een doeltreffender bestrijding van alle vormen van delinquent gedrag vroeg of laat voor ieder van ons risico zou opleveren. Een respectabeler reden is dat een doeltreffender misdaadbestrijding een politiestaat met een bruut strafrechtsysteem zou vereisen: een systeem dat ons in staat zou stellen criminelen te bestraffen volgens een vast verhoudingsschema van nagenoeg 1. In de politiestaat die daarvoor nodig zou zijn, willen wij om begrijpelijke redenen niet leven.

Dat betekent echter niet dat een doeltreffender strafrechtelijke politiek niet te verwezenlijken zou zijn. Straf werkt wel degelijk, zij het niet in de liberaal-democratische staat waaraan wij, overigens om respectabele redenen, hechten.

    • de Universiteit Antwerpen
    • Prof.Dr. H.F.M. Crombag
    • H. Crombag