'Kloof tussen arm en rijk in EU kleiner'

BRUSSEL, 7 NOV. De kloof tussen de rijke en arme lidstaten van de Europese Unie is de afgelopen tien jaar een vijfde smaller geworden. Het inkomen per hoofd van de bevolking in de armste lidstaten (Griekenland, Spanje, Portugal en Ierland) is in die periode gestegen van 65 procent tot 75 procent van het gemiddelde in de Unie.

Dit blijkt uit een rapport dat gisteren is gepresenteerd door Europees Commissaris voor regionaal beleid, Monika Wulf-Mathies. Volgens haar toont het rapport aan dat de structuur- en cohesiefondsen van de EU een belangrijke bijdrage leveren aan het verkleinen van de afstand tussen de sociale en economische ontwikkeling van de lidstaten. Totaal zo'n 250 miljard gulden wordt in de periode van 1989 tot 1999 via de structuurfondsen uitgekeerd als hulp aan achtergebleven gebieden in de EU. Voor het cohesiefonds is van 1994 tot 1999 voor ditzelfde doel nog eens zo'n 32 miljard gulden uitgetrokken.

Commissaris Wulf-Mathies vindt dat de effectiviteit van het Europese structuur- en cohesiebeleid moet worden vergroot, hoewel ze in het rapport vooral lof heeft voor de resultaten van de afgelopen jaren. Ze erkent dat de ontwikkeling van de armere landen de afgelopen jaren niet alleen op rekening van de fondsen kan worden geschreven. Allerlei beleid van de EU, zoals het landbouwbeleid, het sociale beleid en de gemeenschappelijke markt, heeft invloed op de ontwikkeling.

Maar volgens de Europees Commissaris zou zonder structuurfondsen in de vier armste landen van de EU de economische groei tussen 1989 en 1993 0,5 procent lager zijn geweest. Met andere woorden, de gemiddelde jaarlijkse groei in die landen zou dankzij de fondsen zijn gestegen van 1,7 procent tot 2,2 procent. Omdat de bijdragen uit de fondsen de laatste jaren hoger zijn, neemt de commissaris aan dat de invloed op de economische groei in Ierland, Griekenland, Spanje en Portugal daardoor ook groter is dan 0,5 procent per jaar.

Van de zeven miljoen banen die er de afgelopen tien jaar in de EU bijgekomen zijn, ontstond één miljoen in de armere landen. Ook dat zou voor een belangrijk deel te danken zijn aan de fondsen van de EU. Bovendien zijn met de fondsen andere doelen bereikt zoals de aanleg van infrastructuur, onderwijs en bij voorbeeld de verdubbeling van het aantal Griekse steden met waterzuiveringsinstallaties. Wulf-Mathies beklemtoonde gisteren dat veertig procent van al het geld dat naar de armere landen gaat naar de rijke landen terugkeert in de vorm van aanschaf van kapitaalgoederen.

    • Ben van der Velden