In Tilburg herleven de zouaven; Met vertrouwen en deugd

In grijs uniform met pofbroek en een Remingtongeweer trokken de zouaven, wier naam was ontleend aan de vrijheidstrijders de Zouana, ten strijde voor de Paus. Tilburg was de verzamelplaats waar ze in 1870 terugkeerden. Daar is nu een tentoonstelling aan hen gewijd.

Tilburgse zoeaven ten strijde, Gemeentearchief Tilburg, Kazernehof 75 t/m 10 januari. Open di. t/m do. 9-17u en do. 19-22u, vr 9-12u30. Za. t/m ma. gesloten. Catalogus ƒ 8,50. Inl 013-5429470/ 73.

Eenvoudige jongens waren het, vaak afkomstig uit de boerenstand, de textiel- of sigarenindustrie en opvallend veel uit de bakkerswereld. Ze waren tussen de 17 en 40 jaar oud, ongehuwd en ze werden 'edelmoedig' en 'de verdedigers van Rome' genoemd. Journalist Jan Vrancken, de president der Nederlandsche zouaven, had ze in de plaatselijke krant opgeroepen paus Pius IX, wiens pontificaat liep van 1846 tot 1870, te hulp te snellen in de strijd tegen de Garibaldisten en de troepen van de Italiaanse koning Victor Emmanuel. Die wilden de pauselijke staat, die toen vele malen groter was dan nu, veroveren. Zo traden ze op in hun merkwaardige grijze uniformen met pofbroeken en met een Remingtongeweer. Hun naam was ontleend aan de vrijheidstrijders de Zouana, een Kabylenstam in Noord-Afrika.

Tilburg leverde er weliswaar maar hooguit 65, maar de Brabantse stad was de verzamelplaats waar ze in 1870 terugkeerden en waar ze - overigens tevergeefs - “met ongeduld wachtten op het oogenblik dat ze hunnen beminde grijsaard en grooten Pius IX van zijne vijanden konden bevrijden.” In Tilburg waren ze binnengehaald als helden, maar “ze wonnen wel slagen maar niet de oorlog”, schrijft de Tilburgse historicus H. van Doremalen in de catalogus Tilburgse zoeaven ten strijde voor de paus die de in het gemeentearchief van de stad ingerichte tentoonstelling begeleidt. In de catalogus en ook op de tentoonstelling wordt de naam geschreven met oe omdat die spelling staat in het Groene Boekje, wat volgens Van Doremalen 'verwarrend' is maar wat hem 'gedwongen' is opgelegd.

Al staat Oudenbosch met zijn Nederlands Zouavenmuseum bekend als dè Zouavenplaats van Nederland, leverde Lutjebroek in de persoon van Pieter Jong de beroemdste van het korps, Tilburg mocht er ook zijn. Inwoners werden opgeroepen geld af te staan voor de zouaven. Zo verscheen er in een plaatselijke krant een gedichtje: “Met stofdoek gaan we nu ten strijde en brengen hem (de paus) van harte blijde, vier gulden vijftig van onz' huur”, ondertekend door drie 'dienstmaagden'. In Tilburg herinnert nog een aantal straten aan die roemruchte tijd. Verder bestaat het inmiddels koninklijk geworden mannenkoor Sint Caecilia, dat voortkomt uit de gelijknamige liedertafel van de Zouaven Broederschap, nog steeds. Ook de paus werd er zeer geëerd. Er zijn nog altijd een Piusstraat en een Piusplein.

Een achterneef van de Tilburgse zouaaf Charles Bastings, die met zijn vrouw de expositie bezoekt, heeft thuis nog een doodsprentje gevonden en levert het af aan een archiefmedewerker. Die zegt weliswaar het in dank te aanvaarden maar merkt tegelijkertijd op dat de collectie er al meer dan 10.000 bevat, maar, zegt hij, “de zouaven leven nog volop in menig Tilburgs hart”.

“Wapenbroeders laat ons juichen/ jublen met een blij gemoed/ want de vreugde van een vader/ doet het hart der zijnen goed”, zoals het begin luidde van een van de zouavenliederen. Of het echt helden waren, is de vraag; in ieder geval beschouwden ze zichzelf wel als zodanig. Een van de Tilburgse zouaven, Theo Horvers, schrijft in een brief aan zijn ouders naar aanleiding van een van de veldslagen waarbij hij was betrokken: “Het was of dat onze kogels gezegend waren, want onderweg zagen wij er velen van hen (Garibaldisten) dood en geblesseerd liggen.”

Nederland leverde in de periode 1865 tot 1870 ruim 3000 zouaven, net zoveel als de Fransen en bijna tweemaal zoveel als de Belgen. Vermoedelijk heeft de relatief grote deelname van Nederlanders aan het pauselijke leger, waarvan de totale sterkte werd geschat op 8000, te maken met de beginnende emancipatie van de rooms-katholieken, die in de Republiek der Verenigde Nederlanden een ondergeschikte rol hadden gespeeld. Er was bovendien onder de katholieken een onbeperkt vertrouwen in de paus, onder wiens pontificaat de martelaren van Gorcum heilig werden verklaard en een concilie plaatsvond. “Tilburg was toen”, aldus Van Doremalen, “bovendien een van de meest katholieke steden van Nederland.” Hun wapenspreuk luidde Fidei et virtute. Die spreuk staat ook in het vaandel dat op de tentoonstelling is te zien. Bovendien is er een foto waarop de laatste Tilburgse zouaaf Adriaan Charles Lemmers naast het vaandel staat afgebeeld. De tentoonstelling in Tilburg is een monumentje van het rijke roomse leven van vroeger.