In Liefde Bloeyende

Joost van den Vondel (1587-1679)

Op het verongelucken van Doctor Roscius

Zyn Bruit t'omhelzen, in een beemt, bezaait met roozen

Of in het zachte dons, is geen bewijs van trouw:

Maar springende in een meir, daar 't water stremt van kou

En op de lippen vriest, zich te verreuckeloozen;

Dat 's van twee uiterste het uiterste gekozen:

Gelijck mijn Roscius, beklemt van druk en rouw

In d'armen houdt gevat zijn vrucht, en waarde vrouw

En gloeit van liefde, daar 't al kil is, en bevrozen.

Zy zuchtte: Och lief, ik zwijm. Ik sterf. Ik ga te gront.

Hy sprak: Schep moed, mijn troost, en ving in zijnen mont

Haar adem, en haar ziel. Zy hemelde op zijn lippen.

Hy volght haar bleecke schim naar 't zaligh paradijs.

Vraagt yemant u naar trou, zoo zeg: Zy vroos tot ys

En smolt aan geest, en hy ging met haar adem glippen.

Vondel schildert in dit sonnet uit het jaar 1624 het beeld van ware trouw. Een vrouw is door het ijs gezakt en staat op het punt van verdrinken. Haar man springt haar achterna om haar te redden en komt daarbij ook zelf om. Welverdiend stijgt hij met haar ten hemel. Amen. 't Klinkt braaf zoals ik het hier samenvat. 't Lijkt een sentimentele geschiedenis van doodsnood tussen de ijsschotsen, een lofzang op de zelfverloochening die redders van drenkelingen kenmerkt. Er is vanzelf meer aan de hand in dit knappe gedicht.

Allesbepalend hier is het beeld van de vereniging. De omhelzing van man en vrouw, van warmte en kou, van zwakte en kracht, de verstrengeling van lichamen en het opeenpersen van lippen dat is het centrale, sterke beeld van het gedicht. 't Is duidelijk dat Vondel hier meer wil dan het vastleggen van een noodlottig incident in zijn kennissenkring. Door zijn hoofd spoken associaties met mythe, met allegorie, symbolen. Zijn man en vrouw komen om tijdens een ultieme versmelting, ze zoenen elkaar letterlijk dood. Dat is toch wel een iets morbider omhelzing dan men doorgaans bij Hollandse winterkou op IJ of Amstel aantreft.

De liefdeskus die de doodskus is, dat is het beeld dat Vondel hier schildert. Daarmee wordt het gedicht van Hollands ijstafereeltje opgetild naar mythologisch niveau. De Hellespont, geschilderd door Avercamp. In de eerste regel al

Zyn Bruit t'omhelzen, in een beemt, bezaait met roozen

werd - zo constateren we achteraf - de associatie gewekt met een klassiek, symbolisch landschap. Het omhelzen van de Bruid, dat is de taal van de mystieke eenheid. Van twee uiterste het uiterste, dat is de taal van de ideeënwereld van de barok. Nee, er valt niet te twijfelen aan de alchemistische aard van dit gedicht.

De verloren en te herwinnen eenheid tussen tegenhangers, de versmelting van wederhelften, het is een gedachte die Vondel obsedeerde, getuige zijn onvergetelijke regels uit de Gijsbreght

Twee zielen gloênde aen een gesmeed

Of vast geschakelt en verbonden

In lief en leedt

(-)

Daer zoo de liefde viel

Smolt liefde ziel met ziel

En hart met hart te gader.

Die liefde is sterker dan de dood.

(-)

Geen water bluscht dit vuur.

De taal van het vuur. Ze hoort bij de vereniging die tot eeuwigheid leidt, metalen loutert en liefde sterker maakt dan de dood. Gloênde, gesmeed, smolt, bluscht. Zo ook in Op het verongelucken van Doctor Roscius. In de slotregel van de kwatrijnen: gloeit. In de slotregel van de terzinen: smolt. 't Ware wonder van Vondels onderwerpkeus ligt in het feit dat door zijn decor van bevroren meer en ijskoud water de tegenstelling wordt geoptimaliseerd. IJs maakt van vuur méér vuur. Dat is geen kleinigheid in een gedicht waarin het samenvallen van tegendelen voor een apotheose moet zorgen.

Ook de wisselwerking tussen de andere tegenstellingen wordt hierdoor versterkt. De mislukte redding die een geslaagde verlossing betekent. De duistere krachten die het paar naar de diepte zuigen en de hemelse die het doen opstijgen de verticaliteit van het totaalbeeld benadrukkend. De tegenstellingen tussen aarde en geest, Eros en dood, Amor en Psyche.

Het is Vondel zó te doen om de mystieke implicaties dat hij het even moeilijk heeft met de werkelijkheid die de aanleiding vormde. In regel zeven omhelst Doctor Roscius ook 'zijn vrucht'. Het gaat, leert me een voetnoot, niet om een vrouw die zwanger is maar om 'zijn dochtertje dat mee verdronk'. Nu kon Vondel de verleiding van dode kindertjes moeilijk weerstaan (zie Constantijntje 't zalig kijntje en Uitvaert van mijn dochterken), maar in dit geval wordt het lijkje ijlings weggemoffeld. De vrucht krijgt geen naam, geen gezicht, geen aandacht. Ze stoort het beeld maar, dat is duidelijk.

Het beeld van de tweeëenheid, eerst verstenend, dan verdampend. Het beeld van ijs dat brandt. Het beeld van de fatale kus. Doctor Roscius sterft niet aan een dappere daad, hij sterft niet aan de kou, hij sterft door de laatste adem van zijn bruid op te vangen. Ich trinke deine Seele aus, zegt de dood bij Heine. Zy hemelde op zijn lippen, staat er bij Vondel. Het is een compact beeld dat past bij deze hermetische gebeurtenis. Net als in de kolf van de alchemist volgt er op de kus van Doctor Roscius een gecompliceerde reactie: Zy vroos tot ys, En smolt aan geest, en hy ging met haar adem glippen.

Zij sterft aan hem en hij aan haar. Op zoveel wellust kan alleen de eeuwigheid volgen.

    • Gerrit Komrij