Eurobank blijft koel onder EMU-optimisme

AMSTERDAM, 7 NOV. Twaalf van de vijftien lidstaten van de Europese Unie, waaronder Nederland, zullen volgend jaar een begrotingstekort hebben van 3 procent of minder, en daarmee voldoen aan een van de belangrijkste toetredingscriteria voor de Economische en Monetaire Unie, zo berichtte de Europese Commissie gisteren op basis van projecties voor onder meer de economische groei en de financiële huishouding in de lidstaten voor 1997.

Op basis van de cijfers over 1997 zal begin 1998 worden besloten welke landen kunnen toetreden tot de startgroep van de monetaire unie in 1999. Tegelijkertijd met de Europese Commissie kwam het Europese Monetaire Instituut (EMI) in Frankfurt met haar jongste rapport over de stand van de financiële en economische convergentie in de Europese Unie in het lopende jaar, 1996. Het EMI is de voorloper van de Europese Centrale Bank die vanaf 1999, wanneer de muntunie van start gaat, officieel begint met functioneren. Het EMI-rapport is beduidend minder optimistisch van toon dan het geluid dat de Commissie liet horen.

Dit jaar, zo onderstreept het EMI, voldoen slechts vier landen - Denemarken, Ierland, Luxemburg en Nederland - aan de eis een begrotingstekort aan te houden van drie procent of minder van het bruto binnenlands produkt. Aan het toetredingscriterium voor de staatsschuld (minder dan 60 procent van het bbp, of indien hoger, dalend in een bevredigend tempo in de richting van die 60 procent) wordt dit jaar maar door 7 van de vijftien lidstaten voldaan.

“De vooruitgang bij de vermindering van de begrotingstekorten is in het algemeen te langzaam geweest,” schrijft het EMI.

De Commissie, op wier gegevens het EMI zijn conclusies over 1996 baseert, gaat daar bij haar projecties voor volgend jaar al vast van uit. Brussel calculeert daar eenmalige begrotingsmaatregelen, die daar in sommige lidstaten voor nodig zullen zijn, daar in. Frankrijk bereikt volgend jaar bijvoorbeeld een forse vermindering van zijn begrotingstekort, in 1996 geraamd op 4 procent, door toekomstige pensioenbetalingen van het te privatiseren France Télécom aan de Franse staat in 1997 in één keer contant te maken. En er staan meer eenmalige maatregelen op stapel, onder meer in Italië (een eenmalige belasting in 1997 en het omzetten van tekorten in schulden), Spanje (onder meer de opbrengst van privatiseringen), Frankrijk (idem), en waarschijnlijk zelfs ook Duitsland (het mogelijk verlengen van de hoge solidariteitsheffing).

De Commissie besloot vorige maand dat het toerekenen van de France Télécom-betaling tot de lopende begroting in Frankrijk niet in strijd is met de wijze waarop in Europees verband de Nationale rekeningen worden opgemaakt. Het EMI spreekt zich niet expliciet uit over individuele gevallen, maar er gaapt een kennelijke kloof tussen wat 'Frankfurt' en 'Brussel' verstaan onder de monetaire en financiële convergentie die in Europa nodig is om de muntunie te kunnen lanceren. “De meeste landen hebben nog niet de situatie bereikt die, in breder opzicht, kan worden beoordeeld als duurzaam (sustainable) voor de middellange termijn,” schrijft het EMI over de financiële huishouding van de lidstaten. Het Instituut doelt er daarbij op dat begrotingscosmetica die alleen in 1997 tot het gewenste lage begrotingstekort van drie procent of minder leidt, niet voldoende is. Ook in de jaren daarna, wanneer de muntunie van start gaat, moeten de tekorten structureel laag blijven om de muntunie levensvatbaar te houden en de gemeenschappelijke munt hard. Het EMI juicht het al vergevorderde plan voor een 'stabiliteitspact', waarin muntunie-landen zich vastleggen ook na 1999 een strakke begrotingsdiscipline te handhaven, toe. Maar “zo'n pact mag geen substituut zijn voor een overtuigende begrotingsconsolidatie voorafgaand aan de monetaire unie.”

Begin 1998, wanneer de beoordeling plaatsvindt welke landen aan alle criteria voldoen, zal het EMI daar in een soortgelijk rapport als dat van gisteren over rapporteren. In de aanloop naar de strijd die dan losbarst over de precieze interpretatie van de vijf Maastricht-criteria (tekort, staatsschuld, inflatie, rente en wisselkoers) werpt Frankfurt zich vooralsnog op als hoedster van de letter van het Verdrag, terwijl Brussel zich sterk maakt voor de geest van Maastricht.

In hoeverre het EMI zich in die rolverdeling zal blijven inleven is overigens de vraag. W. Duisenberg, die vanaf juli volgend jaar A. Lamfalussy opvolgt als voorzitter van het EMI, maakt een flexibeler indruk. In tegenstelling met wat het EMI nu schrijft zei hij onlangs in Oostenrijk dat een lidstaat die deelneemt aan het voorgenomen stabiliteitspact, en zich zo vastlegt voor toekomstige begrotingsdiscipline, bij de beoordeling begin 1998 moet kunnen rekenen op enige clementie als het tekort van drie procent in niet is gehaald.