De wereld van Tlön

BETONDORP. De wereld wordt Tlön. Ongemerkt is een irreële denkwereld bezig het aanschijn van de aarde te veranderen. Uit het niet-bestaande wordt een nieuwe werkelijkheid geschapen, dankzij de 'labyrintische constructie' Tlön, zo meldt de Duitse/Engelse auteur W.G. Sebald.

“Reeds is het tot nu toe door niemand beheerste idioom van Tlön tot de scholen doorgedrongen, reeds overdekt de geschiedenis van Tlön alles wat wij vroeger wisten of meenden te weten,” schrijft hij in zijn hallucinerende pelgrimsboek 'De ringen van Saturnus' dat vorige week in Nederland verscheen. “Vrijwel alle takken van kennis zijn hervormd. Alle talen, zelfs Spaans, Frans en Engels zullen van de planeet verdwijnen.” Tlön staat, kortom, op het punt de bekende wereld uit te wissen, zonder dat we dat in de gaten hebben.

Ik ging op bezoek bij iemand die nog niet door Tlön was aangetast. Over Henk van Hunnik had ik al eerder bericht: hij was chronisch ziek, arm, moedig en onbereikbaar - want zijn telefoon was afgesneden wegens geldgebrek. Hij leefde in een eigen wereld, achter dichte gordijnen, waar hij vocht met de demonen uit zijn jeugd. Kort na de publicatie van mijn stukje trof ik hem toch, thuis, met een nieuwe telefoonaansluiting waarmee hij, heel handig, niet kon bellen maar wel gebeld kon worden.

“Je bent in de mode, Henk”, zei ik, want in de wereld van Tlön werd opeens veel gesproken over armoede. Er was ditmaal op het scherm zelfs een hele discussie ontstaan over de vraag of men in uiterste nood een brood mocht stelen uit een supermarkt. “Alsof dat het probleem is”, zei Henk boos. “Je ziet voor de televisie mensen over armoede praten die zelf tienduizend gulden per maand verdienen. Die mensen zien armoede als een kwestie van procenten en toelagen, of als een kwestie van braaf of stout. Maar ze hebben geen idee waarom het werkelijk gaat.”

Hij gaf me, zoals hij wel vaker gedaan had, een klein college over het leven in schaarste. “Je kunt best een dag niet eten. Je kunt ook best vijf dagen leven op een brood en een paar blikken soep. Maar je voelt je pas echt belazerd als aardige vrienden je vragen: 'Henk, kom je eten?' Want je komt daar niet om te eten voor de gezelligheid, maar om te overleven.” De extra stooktoeslag, de bijzondere uitkeringen, de subsidies voor bijvoorbeeld de aanschaf van een nieuwe wasmachine, zaken waarvan in de kranten veel ophef werd gemaakt, hij moest er weinig van hebben. “Voor zo'n wasmachine moet je je hele hebben en houden invullen, je moet je giro's laten zien, daarna moet je weken wachten - en dat terwijl al je informatie allang in hun computer zit. Veel mensen hebben daar gewoon geen zin in, die steken zich nog liever in de schulden.”

Volgens Henk van Hunnik is het niet-benutten van alle subsidie- en uitkeringsmogelijkheden dan ook meestal geen kwestie van onkunde, maar van een gevoel van elementaire trots. “Al die formulieren: het is alleen maar vernedering. De stadspas: het is het fietsplaatje van de huidige tijd. Bij Kwekkeboom een taartje eten voor vijftig cent beneden de prijs als je laat zien dat je een armoedzaaier bent. Dat is pas tweedeling.”

Armoede is voor de betrokkenen een keihard probleem. Maar het hoort, op een andere manier, ook bij de wereld van Tlön. Het is de uitzondering die de regel van welvaart bevestigt. Die ene huishouding onder het minimum doet de tevredenheid van de andere negentien nog eens extra toenemen, zoals de voetstap van een arme voorbijganger dat doet, als de kachel brandt en de regen tegen de ramen klettert. Het spreken erover, en een enkel, na veel vernedering verkrijgbaar extraatje, dempt het onbehagen en geeft van binnen een warm gevoel. En niets past daar zo goed bij als het goede oude woord 'armoede'. De term armoede reduceert het vraagstuk immers tot enkel geld, procenten en huishoudbudgetten, en de oplossing tot charitas. Ook de groep waar het om gaat blijft zo prettig beperkt. Volgens de regering is slechts 2,7 procent van de Nederlanders arm - in Duitsland 7,8 - en de kans om eraan te ontsnappen is groot: slechts 0,4 procent van de bevolking is langdurig arm. Het woord armoede geeft, kortom, de mogelijkheid om een ernstig vraagstuk op subtiele wijze te verplaatsten van de kern naar de marge.

Ondertussen gaat het gewone leven voort. Bijstandsmoeders worden weer naar kantoor gejaagd, want in Tlön zijn kinderen boven de vijf nooit ziek. Door het afbouwen van de huursubsidies zijn 'inkomenswijken' aan het ontstaan, waar zich respectievelijk hoge en lage inkomens concentreren. Een deel van de huurders woont veel te goedkoop, een ander deel bezwijkt bijna onder de woonlasten omdat de minimale uitkeringen niet meer aansluiten bij de prijs die voor de hoge woonkwaliteit in Nederland moet worden betaald. Het middelbaar beroepsonderwijs, voor de jeugd aan de onderkant van de samenleving vaak de laatste kans om letterlijk 'bij de les te blijven', wordt niet gestimuleerd maar bedreigd met verdere bezuinigingen. Buurthuizen worden gesloten of weggefuseerd. Tegelijk worden plannen ontwikkeld om voor lastige jongeren peperdure internaten op te zetten. De uitvoering van de Ziektewet is aan de bedrijven en de markt overgelaten, waardoor zwakken en onhandigen nog scherper worden weggeselecteerd uit de Tlön-bedrijven. Zelfs in de ziekenhuizen dringt de tweedeling steeds verder door: wie een goede baan heeft kan met voorrang worden geholpen, waardoor degenen met weinig geld nog langer zullen moeten wachten. Want dat is het werkelijke probleem: niet de armoede, maar de uitstoting van alles wat niet past bij Tlön.

Zelfs Henk van Hunnik had de irreële wereld van Tlön niet helemaal buiten de deur kunnen houden. Op het tafeltje tussen Henks twee derdehands leren banken lag, dik, glanzend en kleurrijk, de Wehkamp-catalogus: computers, draagbare telefoons, fraaie kleren, bedden, meubels, cd-spelers. Het boekwerk bood 'compleet betaalgemak': 'Helemaal in 't nieuw voor maar 20 gulden per maand'. 'Een nieuwe wasmachine voor maar 30 gulden per maand'. 'Voor een maandbedrag van 195 gulden kunt u kopen tot een limiet van 5.000 gulden'.

“Dit is het meest fnuikend voor mensen die niets hebben”, zei Henk. “Je moest ze verbieden om je zoiets toe te sturen.” Eén keer was hij ervoor bezweken: hij bestelde een ijskast, een cassette-radio, een tv, een broodrooster, een video en een volautomatisch koffiezetapparaat dat een liedje speelde bij het opstaan. De vreugde was kort. De radio ging al snel kapot, de ijskast en het broodrooster gaf hij weg, de video sloopte hij uit elkaar en de tv en het zingende koffiezet-apparaat smeet hij uit het raam in de strijd met zijn eigen demonen. Maar jaren bloedde hij voor Tlön en Wehkamp.

    • Geert Mak