Allerzielen in Verdun

Twee november is een zeer geschikte dag om Verdun te bezoeken. Allerzielen is immers de dag waarop de kerk de overledenen herdenkt. En Verdun - of eigenlijk de omgeving van Verdun met de slagvelden en begraafplaatsen - is bij uitstek het symbool van dood en verwoesting. Die dood en verwoesting waren het gevolg van een van de meest beruchte veldslagen uit de Eerste Wereldoorlog, de slag bij Verdun.

Van alle lieux de mémoire van Verdun is het Ossuaire, het knekelhuis, van Douaumont het meest uitzonderlijke. Dat komt in de eerste plaats door zijn uitzonderlijke lelijkheid, die zo allesoverheersend is dat het enige tijd duurt voordat de diepere betekenis van deze gedenkplaats tot je doordringt. In het gebouw zelf staan de namen vermeld van alle vermisten van de slag, dat wil zeggen van de soldaten die niet zijn teruggekeerd en van wie ook de lichamen niet zijn teruggevonden. In de kelder van het gebouw liggen de duizenden schedels en botten die in de grond zijn aangetroffen. Die moeten dus afkomstig zijn van degenen wier namen boven staan vermeld. De anonimiteit van de massaslachting kan niet beter worden uitgedrukt.

Daarom is dit Ossuaire, meer nog dan de militaire begraafplaatsen, het symbool van Verdun. Het symboliseert de anonimiteit van de dood die zo karakteristiek was voor de slag bij Verdun. Ondanks het immense aantal doden en gewonden - meer dan een miljoen - was Verdun niet eens de meest moorddadige veldslag uit de moderne geschiedenis. Maar het was wel de meest mechanische en de meest verwoestende. De Duitsers schoten alleen al in de eerste acht uur van hun offensief twee miljoen granaten af. Daar zou het niet bij blijven want de slag duurde vier maanden. Van wat ooit een landschap was, bleef niets anders over dan een omgewoelde massa aarde. Nu, tachtig jaar later, zijn het alleen nog de kraters en greppels die hieraan herinneren. Verder is alles even lieflijk als vanouds. De tijd heelt alle wonden, zullen wij maar zeggen. De herinnering wordt echter levend gehouden, niet alleen door monumenten en begraafplaatsen, maar ook door historici. Nog altijd verschijnen er vele studies over de Grote Oorlog en worden nieuwe vragen gesteld en nieuwe opvattingen naar voren gebracht. De hoofdvraag is echter nog altijd dezelfde: Hoe was dit mogelijk? Louis Couperus vroeg zich dit al af op 1 augustus 1914, de eerste dag van de oorlog. Hij schreef in een van zijn Brieven van den nutteloozen toeschouwer: “Leven wij niet in een eeuw van uiterste beschaving, eene beschaving niet alleen voor de zinnen, ook voor hart, geest en ziel, eene beschaving van ideeën ook en idealen en toch, trots al deze overmenschelijkheid, schijnen wij meèr dan primitieve wezens te zijn...? Om een wreede keten van noodlottige gebeurlijkheden [...] zijn de overbeschaafde twintigste'-eeuwers op éenmaal niet meer dan beesten. Verfijnde beesten, die elkander zullen vernietigen met alle de verfijndste moordtuigen, die zij over en weêr hebben uitgedacht.”

Zo zou het inderdaad gaan. Opvallend is de vergelijking met beesten. Die vergelijking werd en wordt vaak gemaakt. De huiveringwekkende uitdrukking 'kanonnenvlees' herinnert eraan. Daniel Pick heeft erop gewezen dat het moderne slachthuis, het abattoir, en de moderne ideeën over mechanisering en rationalisering van de oorlog in dezelfde tijd zijn ontstaan. De oorlog werd net als de rest van het maatschappelijk leven een object van standaardisering en efficiency-verbetering. De tirannie van de klok beheerste niet alleen het leven van de industrie-arbeider, maar ook dat van de militair. Dat was trouwens dezelfde man, alleen in een andere rol. Het regiem van de barak was niet anders dan dat van de fabriek. De modernisering maakte de soldaat tot een nummer. Maar tegenover deze degradering stond de heroïsering van de gewone soldaat, gekanoniseerd in de cultus van de 'onbekende soldaat'. Alleen al in Frankrijk werden in de jaren na 1918 achtendertigduizend (38.000!) monumenten voor de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog opgericht. Dat komt ongeveer neer op één per gemeente of, anders gezegd, één per duizend inwoners.

Wie niet alleen de omgeving van Verdun bezoekt, maar ook de stad zelf, kan een Nederlandse bijdrage tot dit beeldenbestand aantreffen in de vorm van een door Rodin ontworpen monument, dat in 1920 door een Nederlands comité van vrienden van Frankrijk werd aangeboden. Nederland was officieel neutraal en men stuurde ook geen briefkaarten met: 'Ik ben woedend' naar Duitsland - wat trouwens nogal gevaarlijk zou zijn geweest - maar heel wat kunstenaars en intellectuelen waren pro-Frans. De historicus Huizinga schreef dat hij hoopte op een overwinning van het Westen op het Oosten en dat zelfs in dubbele zin, namelijk van Frankrijk en Engeland op Duitsland, maar ook van Duitsland op Rusland. Op het eerste gezicht zat hier iets onlogisch in, aangezien Rusland immers de bondgenoot van Engeland en Frankrijk was in de oorlog met Duitsland. Maar toch is het zo gegaan, aangezien Duitsland eerst Rusland versloeg en daarna zelf door het 'Westen', inmiddels versterkt met de Verenigde Staten, werd verslagen.

Huizinga heeft zich later in de Schaduwen van Morgen uitgelaten over de soldaat en zijn heldenmoed. Hij schreef: “Eere aan den soldaat in het veld. In de nooden en ellenden van het krijgsbedrijf hervindt hij al de waarden van de hoogste askese. [...] In de voortdurende en beheerschte bereidheid tot algeheele zelfopoffering, [...] volbrengt hij een taak, die voor hem zelf de hoogste ontplooiing van zijn ethische functies meebrengt.”

Deze passage wekte nogal wat verbazing, bijvoorbeeld bij Menno ter Braak die haar in zijn recensie in Het Vaderland “zwaar rhetorisch” noemde. Huizinga voelde zich dan ook genoodzaakt zijn uitspraak nader te verklaren. Vanaf de vierde druk is daarom de volgende noot toegevoegd: “Het lijkt mij noodig, deze uitspraak iets nader te motiveeren, daar zij door velen is misverstaan als een verheerlijking van den krijg [...]. De soldaat, zijn militaire bevelen gehoorzamende, vervult een plicht. [...] Hij lijdt voor anderen, onverschillig den aard van het gestelde politieke doel. - Is het teveel gezegd, dat iemand, die uit plicht, zonder schuld, voor anderen lijdt, zijn hoogste ethische functies vervult?”.

Deze woorden zullen zijn ingegeven door de herinnering aan de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog en in het bijzonder aan die van Verdun.

    • H.L. Wesseling