Thuisblijvers geven stemmers nog geen ongelijk

De opkomst bij de Amerikaanse presidents- verkiezingen van gisteren bereikte een naoorlogs dieptepunt. Dat zal, aldus Rudy Andeweg, ongetwijfeld voedsel geven aan de al langer bestaande bezorgdheid over de vitaliteit van de Amerikaanse democratie.

Dat president Clinton deze editie van de vierjaarlijkse wedloop naar het Witte Huis zou winnen, leek al voor de aanvang vast te staan. Hooguit was er wat spanning over de vraag of Clinton net als vier jaar geleden met minder dan de helft van de uitgebrachte stemmen verkozen zou worden. Rond het middaguur spande het er om of Clinton dit keer 50 procent van de uitgebrachte stemmen had gehaald.

Clinton is echter hoe dan ook een minderheidspresident, wanneer wij uitgaan van het percentage van de bevolking van 18 jaar of ouder dat gisteren op hem heeft gestemd. Dat is het gevolg van het feit dat zoveel Amerikanen thuisblijven bij de verkiezing van de machtigste man op aarde.

De opkomst bij presidentsverkiezingen is de laatste keren angstig dicht bij de magische grens van vijftig procent gekomen. Vier jaar geleden was de opkomst weer een klein beetje gestegen (tot ruim 55 procent), vermoedelijk door de spannende strijd tussen Bush en Clinton, en vanwege het toen nog nieuwe gezicht van Ross Perot.

Dit keer vreesden sommige commentatoren dat Clintons overwinning voor zó veel kiezers een voldongen feit zou zijn, dat zij de stemlokalen links zouden laten liggen, met een nieuwe daling van de toch al zo lage opkomst als gevolg.

Niet bekend

Het is deze bezorgdheid die de van oorsprong Nederlandse politicoloog Arend Lijphart ertoe heeft gebracht om kort voor de presidentsverkiezingen te pleiten voor invoering van de opkomstplicht in de Verenigde Staten. Hij heeft de in Nederland in 1970 afgeschafte opkomstplicht nog aan den lijve ervaren en stelde al eerder voor deze verplichting voor alle burgers in Nederland opnieuw in te voeren. Daar is toen vooral sceptisch op gereageerd: in Nederland wordt de opkomst bij Kamerverkiezingen slechts door weinigen als problematisch ervaren. Maar dat percentage ligt dan ook 25 tot 30 punten hoger dan bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen, om van verkiezingen in jaren dat het presidentschap niet ter discussie staat maar helemaal te zwijgen.

De inmiddels tot Amerikaan genaturaliseerde Lijphart heeft de Nederlandse opkomstplicht van weleer nu ten voorbeeld gehouden voor zijn nieuwe vaderland. In een opmerkelijke toespraak als voorzitter van de Amerikaanse vereniging voor politieke wetenschap hekelde hij de uitzonderlijk lage opkomst in de Verenigde Staten. Doordat vooral achtergebleven groepen minder naar de stembus trekken, speelt het lot van de groeiende onderklasse in de Amerikaanse samenleving nauwelijks een rol in de verkiezingsstrijd, zo betoogt hij. Als gevolg hiervan ontstaat er een sociale vertekening in het gevoerde beleid.

Er zijn allerlei maatregelen denkbaar die de opkomst kunnen verhogen, van het houden van de verkiezingen in het weekeinde tot wijziging van het kiesstelsel, maar van al deze hervormingen is de invoering van de opkomstplicht zonder twijfel het meest effectief. In Nederland leidde het ooit tot opkomstpercentages van meer dan 90 procent.

Opkomstplicht garandeert nog steeds een zeer hoge opkomst in landen als Australië, België of Italië. In dat laatste land werkt het zelfs zonder dat er een straf staat op het niet-opkomen bij verkiezingen. Ooit wist de Franse filosoof Rousseau al wat gedaan moest worden met iemand die zou weigeren als vrije burger aan de politieke besluitvorming deel te nemen: 'On le force a être libre' (Men zal hem dwingen vrij te zijn).

Lijphart heeft geen moeite met deze paradox: burgers hebben ook de plicht belasting te betalen, sommige democratische landen hebben dienstplicht of kennen de verplichting zitting te nemen in jury's bij rechtszaken. Een opkomstplicht vergt daarbij vergeleken een miniem offer van de burger, terwijl het voor de democratie een enorme verbetering zou betekenen.

Lijpharts zorg over de lage opkomst in de Verenigde Staten is oprecht en wordt in brede kring gedeeld. Zijn voorstel heeft bovendien de charme van de eenvoud. Toch overtuigt zijn betoog vooralsnog niet.

Een belangrijke reden voor het voorstel is dat het juist de minderbedeelde Amerikanen zouden zijn die niet naar de stembus trekken. Hoewel armere, minder hoogopgeleide en zwarte kiezers inderdaad minder trouw gaan stemmen, zijn de verschillen niet erg groot. In een recente studie wordt er bijvoorbeeld op gewezen dat de daling van de opkomst die vooral na 1968 is opgetreden niet geweten kan worden aan een groeiend aantal thuisblijvers onder de lagere inkomensgroepen. Het is ook niet zo dat vooral zwarte kiezers de laatste decennia bij verkiezingen zijn thuisgebleven.

Ander onderzoek concludeert dat de opkomstdaling vrijwel samenvalt met de verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd in 1972, en dat het vooral de jongeren zijn (arm of rijk, blank of zwart) die geen gebruik maken van hun stemrecht. Blijkens enquêtes zijn de verschillen in politieke opvattingen tussen kiezers en niet-kiezers betrekkelijk gering.

De Republikeinen hebben wetsvoorstellen die tot doel hadden de opkomst te vergroten vaak tegengehouden uit vrees dat daardoor vooral armere Democratische kiezers naar de stembus worden gelokt. Onderzoekers betwijfelen echter of een hogere opkomst ook effect zou hebben op de uitslag. Kortom: er lijkt weinig reden te zijn te vrezen voor een sociale vertekening in de Amerikaanse politiek als gevolg van de lage opkomst.

Voor de legitimiteit van het democratisch bestel van de Verenigde Staten zou een verhoging van de nu wel erg lage opkomst niettemin wenselijk zijn. Maar daarvoor is nodig dat de Amerikaanse burgers uit eigen beweging gaan stemmen, en niet worden gedwongen door opkomstplicht.

Gelukkig zijn er, juist in de Verenigde Staten, minder drastische maatregelen denkbaar om de opkomst te vergroten. De opkomst van 49 procent bij de presidentsverkiezingen van gisteren is gebaseerd op de totale Amerikaanse bevolking van 18 jaar en ouder. Als de opkomst zou worden berekend op basis van alle Amerikaanse kiesgerechtigden kom ik uit op ruim 80 procent, iets hoger dan in Nederland. Omgekeerd zou in Nederland het opkomstpercentage lager zijn als het niet zou worden gebaseerd op alle kiesgerechtigden, maar op alle inwoners van 18 jaar en ouder, al was het maar omdat in dat laatste geval ook buitenlanders worden meegeteld die geen stemrecht hebben.

In de Verenigde Staten is het verschil tussen beide opkomstcijfers echter vele malen groter, omdat een Amerikaanse burger zich speciaal als kiezer moet laten registreren, terwijl dat in Nederland automatisch gebeurt. Dit vereiste van registratie is destijds in feite ingevoerd om 'ongewenste elementen', zoals zwarte medeburgers, uit de stemlokalen te weren.

Voordat registratie vereist werd, bereikte de opkomst in de Verenigde Staten, zonder opkomstplicht, de respectabele hoogte van 82 procent van de volwassen bevolking in 1876. Na invoering van de registratie zakte het percentage naar het diepterecord van 44 procent in de jaren '20, om daarna te stijgen tot ruim 65 procent in 1960, waarna het opnieuw daalde tot net iets boven de 50 procent in de meest recente verkiezingen.

Hoewel allerlei descriminerende praktijken rond de registratie van kiezers inmiddels bij wet verboden zijn, blijft de registratie-eis de opkomst dempen. Daarvoor zijn verschillende redenen. In sommige staten wordt het kiezersregister gebruikt om leden voor rechtbankjury's te selecteren, en velen willen elk risico van een langdurige onderbreking van werk en gezinsleven - denk aan de O.J. Simpson-zaak - liever uitsluiten.

In andere staten wordt een kiezer die gedurende een aantal jaren niet van zijn kiesrecht gebruik heeft gemaakt uit het register geschrapt. Stel u voor dat alle Nederlandse kiesgerechtigden die de verkiezingen voor het Europese Parlement en de Provinciale Staten hebben laten lopen niet meer mogen stemmen bij de Kamerverkiezingen!

De belangrijkste registratiebepaling is dat de kiezer geregistreerd moet zijn in zijn of haar woonplaats, en daar ook enige tijd gewoond moet hebben. In een land met zo'n enorme mobiliteit - een derde van de Amerikanen is na twee jaar verhuisd - leidt dat tot een laag aantal geregistreerde kiezers.

Men probeert dit probleem nu te beperken door adreswijzigingen voor het rijbewijs ook te beschouwen als een aanvraag voor kiezersregistratie. Een aantal Amerikaanse staten is nog verder gegaan bij het versoepelen van de registratie-eis. In Minnesota en Wisconsin is het bijvoorbeeld mogelijk dat een burger zich nog op de verkiezingsdag zelf in het stembureau registreert. In Noord-Dakota heeft men de registratie-eis zelfs helemaal afgeschaft. In dergelijke staten zien wij dan ook opkomstcijfers die tot wel 20 procentpunten hoger liggen dan in de Verenigde Staten als geheel.

Het ligt daarom voor de hand om met de invoering van een opkomstplicht in de Verenigde Staten ten minste te wachten, totdat in het hele land het registratievereiste versoepeld of afgeschaft is. Waarschijnlijk geeft de opkomst dan minder reden tot zorg. Misschien wordt de president dan zelfs weer door een meerderheid van het Amerikaanse volk gekozen.

    • Rudy Andeweg