Pemba moet beroep op WAO verminderen

De Tweede Kamer behandelt vandaag en morgen 'Pemba', een wetsvoorstel voor de introductie van premiedifferentiatie en marktwerking in de WAO. Wat is Pemba en waar komt het vandaan?

DEN HAAG, 6 NOV.De werkgever draagt voortaan de verantwoordelijkheid voor de arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers. Dat is de kern van het wetsvoorstel voor een nieuwe aanpak van de WAO. Staatssecretaris De Grave verdedigt het vandaag en morgen in de Tweede Kamer. Het voorstel heet Pemba, 'premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen', en het moet het beroep op de WAO sterk verminderen.

De premiedifferentiatie slaat op de WAO-premie die vanaf 1 januari 1998 niet langer door de werknemer, maar door de werkgever moet worden betaald. Hoogte en duur van een WAO-uitkering veranderen niet, wel zal de WAO-premie per bedrijf gaan verschillen. Zij is hoger naarmate een bedrijf meer werknemers arbeidsongeschikt ziet worden. De variabele premie dient werkgevers te prikkelen arbeidsomstandigheden te verbeteren, zodat zo min mogelijk werknemers een beroep op de WAO hoeven doen.

Om al te grote verschillen tussen de premies te voorkomen stelt De Grave maximale en minimale premies voor. Bedrijven met minder dan vijftien werknemers zullen minimaal zo'n 1,5 procent premie moeten betalen over het bruto loon (tot 76.000 gulden) en maximaal ongeveer 5 procent, drie keer de landelijk gemiddelde premie. Het midden- en kleinbedrijf is fel tegen deze maatregel. Bij een onderneming met vijf man personeel hoeft maar één medewerker arbeidsongeschikt te worden om ver boven het landelijk gemiddelde te komen. Gevolg: een maximumpremie.

Ondernemingen groter dan vijftien werknemers krijgen niet te maken met een minimumpremie, om hen te prikkelen een premie van nul procent te realiseren. Wel geldt een maximum van 6,67 procent (vier keer de gemiddelde premie). Vooral bouwondernemingen zijn hier fel tegen. Het zware werk in de bouw zorgt ervoor dat relatief veel bouwvakkers in de WAO terechtkomen. De verwachting is dat vrijwel alle bouwbedrijven de maximale premie moeten betalen. Daardoor zal een beloning voor inspanningen om de arbeidsongeschiktheid terug te dringen in veel gevallen uitblijven.

De 'M' van marktwerking in de afkorting Pemba geeft aan dat concurrentie mogelijk is tussen de uitvoerders van de WAO. Dat kunnen uitvoeringsorganisaties zijn, zoals het GAK, maar ook particuliere verzekeraars. Een werkgever kan besluiten gedurende de wettelijke termijn van maximaal vijf jaar zelf de kosten van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te dragen. Hij betaalt dan geen WAO-premie. Wordt een van zijn werknemers arbeidsongeschikt, dan moet de werkgever diens uitkering betalen. Tegen dat risico kan een werkgever zich verzekeren bij een particuliere verzekeraar. Daarbij kunnen verzekeraar en werkgever overeenkomen dat de laatste een eigen risico draagt en de verzekeringsmaatschappij de rest uitkeert.

Het regeerakkoord van het kabinet-Kok stelde al in augustus 1994 dat langs de 'Pemba-wegen' premiedifferentiatie en marktwerking het aantal nieuwe arbeidsongeschikten “aanmerkelijk lager” kan uitkomen dan zonder die aanpassing. Het zou een besparing van 750 miljoen gulden opleveren in 1998, maar toen ging Kok nog uit van eerdere invoering van Pemba dan de nu voorzien, 1 januari 1998.

Sinds dat regeerakkoord is het wetsvoorstel Pemba aan de hand van de vorige staatssecretaris van Sociale Zaken, R. Linschoten, door diepe dalen gegaan. Drie keer leverde hij een aangepaste versie voor advies in bij de Sociaal-Economische Raad en de Raad van State. De gedachte meer marktwerking in de sociale zekerheid te introduceren werd gaandeweg 'uitgekleed'. Zo verwierp de Raad van State het marktwerkingsdeel in het laatste voorstel van Linschoten, waarin hij optimistisch was over het op één markt opereren van private en publieke verzekeraars. De Raad adviseerde Linschoten zijn huiswerk over te doen.

In het huidige voorstel is de marktwerking aanzienlijk minder prominent: de publieke verzekeraars, de uitvoeringsinstanties, hebben hun plaats in de uitvoering van de WAO behouden. En als een werkgever al de markt op zou willen om zijn risico elders te verzekeren, dan kan dat voor een beperkte periode van vijf jaar. Bovendien blijft de uitvoeringsinstantie dan over zijn schouder meekijken.

De Raad van State was positiever over het premiedifferentiatiedeel van Pemba. Dat zwakten Linschoten en zijn opvolger De Grave evenwel zelf af. Zoveel indelingen als van 'Nederland Bedrijvenland' gemaakt konden worden, zoveel varianten hadden de staatssecretarissen tot hun beschikking. Bedrijven werden ingedeeld in 64, later negentien bedrijfstakken, die allemaal hun eigen arbeidsongeschiktheidsrisico hadden. Daarbij was het uitgangspunt vergelijkbaar met 'de vervuiler betaalt': in de bouw raken meer mensen arbeidsongeschikt dan in het bankwezen, dus moet de premie in de eerste bedrijfstak aanzienlijk hoger liggen dan in de laatste. Uit onderzoek bleek dat de uiterste premiepercentages lagen op 21,57 in de bouw en 6,56 voor de banken. Een veel te groot verschil naar de zin van de bewindslieden. Bovendien zou het onderscheid naar premie per bedrijfstak uiterst ingewikkeld en daarom moeilijk uitvoerbaar worden. De kerngedachte achter premiedifferentiatie bleef niettemin overeind: hoe hoger het arbeidsongeschiktheidrisico, des te hoger de premie. Het was toenmalig staatssecretaris van Sociale Zaken L. de Graaf die in 1988 als eerste die relatie legde. Hij stelde voor ondernemers die de arbeidsongeschiktheid onder hun personeel wisten te verminderen korting op het werkgeversdeel van de WAO-premie te verlenen. Falende bedrijven moesten een hogere premie betalen. De Graaf kreeg nauwelijks respons.

Zijn opvolger, E. ter Veld, kreeg met een vergelijkbaar voorstel jarenlang een surplus aan aandacht. Ter Veld introduceerde een zogenoemde bonus/malus-regeling. Een werkgever zou een beloning van 20.000 gulden krijgen voor indienstneming van een oud-WAO'er en een boete van 10.000 gulden als hij een werknemer naar de WAO loodste. De regeling ondervond veel weerstand en is inmiddels afgeschaft. Door Pemba is hij overbodig geworden, want in de filosofie van dit kabinet straffen of belonen bedrijven zichzelf vanaf 1998 door een hogere of lagere premie over zichzelf af te roepen.

    • Robert Giebels