Maatschappelijk werk worstelt met ongewenste hulp

Maatschappelijk werkers krijgen steeds vaker het verzoek mensen tegen hun zin te helpen. Wie de begeleiding weigert, krijgt een korting op zijn uitkering of wordt zijn huis uitgezet.

ROTTERDAM, 6 NOV. Een 33-jarige alleenstaande moeder in Den Haag krijgt van de sociale dienst een oproep werk te zoeken nu haar zoontje binnenkort zes jaar wordt. Het idee maakt haar 'paniekerig'. Het jongetje is hyperactief en heeft haar nodig. Ze is nu al uitgeput door zijn gedrag, laat staan dat ze als werkende vrouw in staat zou zijn voor hem te zorgen. De sociale dienst denkt aan 'psychosociale problemen' en verwijst de vrouw naar het algemeen maatschappelijk werk.

Zo zitten ze tegenover elkaar: een maatschappelijk werker die wil helpen en een vrouw die niet geholpen wil worden. Wat te doen? De vrouw begint in het eerste gesprek meteen al over de dood van haar vader vijftien jaar geleden en hoe haar dit aangreep. Dat is volgens onderzoekers de strategie van veel cliënten die niet geholpen willen worden: ze graven in hun verleden om aannemelijk te maken dat het onmogelijk is iets aan hun situatie te wijzigen.

De maatschappelijk werker krijgt van de sociale dienst gedaan dat de vrouw pas over een jaar hoeft te solliciteren. Dat lucht op. In een tweede gesprek adviseert hij haar om als ze 's nachts niet kan slapen, op te schrijven wat ze hem nog had willen zeggen. Ook dat slaat aan. De vrouw ziet parallellen met het heden. Net als destijds na de dood van haar vader mist ze steun en raad. Haar vriend ging een jaar geleden weg. Ook nu zoekt ze steun. Die kan ze krijgen, van de maatschappelijk werker. Samen slagen ze erin met gesprekken haar problemen thuis de baas te worden èn om actief werk te gaan zoeken.

Het voorbeeld is ontleend aan een onderzoeksrapport over een project van het maatschappelijk werk in Den Haag. De welzijnsinstelling sloot enkele jaren geleden een overeenkomst met de Haagse sociale dienst om per jaar driehonderd probleemgevallen weer aan het solliciteren te krijgen of althans te vernemen wat de dienst met hen aan moet. In ruim de helft van de gevallen lukt dat.

De Haagse maatschappelijk werkers opereren volgens de methode 'activerende hulpverlening'. Het is iets nieuws. In plaats van zoals gewoonlijk uit te gaan van de gevoelens en verlangens van de cliënten, proberen ze hen tot handelen aan te sporen in het hier en nu. Met futiele, concrete opdrachten blijken de meest onverschillige cliënten soms tot actie te bewegen.

Projectcoördinator H. Roskam: “We krijgen mensen die jarenlang teleurgesteld zijn. Alles wat ze probeerden is mislukt. Je kunt niet verwachten dat ze gemotiveerd zijn. Maar je kunt motivatie ook sturen. In dit project richten we ons op kleine successen in het heden.”

Het Haagse project werd nauwkeurig onderzocht door de Hogeschool Rotterdam. Onderzoeker A. Menger: “Uit dit project blijkt dat motivatie vooraf niet altijd nodig is. Je hoeft niet op de motivatie te zitten wachten om met kleine stapjes tot veranderingen te komen. Het is een ouderwetse middle class-gedachte dat motivatie aan verandering vooraf moet gaan. Handelen kan motivatie tot stand brengen.”

Het Haagse project is een voorbeeld van 'voorwaardelijke hulpverlening'. Het is een heet hangijzer in het maatschappelijk werk. Steeds vaker krijgen de honderdzestig instellingen voor algemeen maatschappelijk werk het verzoek van sociale diensten, huisvestingsbureaus, kredietbanken, politie en huisartsen om mensen tegen hun zin te begeleiden. Wie deze begeleiding weigert, krijgt een korting op de uitkering, moet zijn huis uit, krijgt geen gas en elektra meer of wordt zelfs opgepakt. Het aantal cliënten van het algemeen maatschappelijk werk dat onvrijwillig wordt geholpen, wordt geschat op vijf procent van het totale bestand van vijfhonderdduizend mensen. Maar hoe help je mensen die niet geholpen willen worden? In hoeverre is deze bemoeienis geoorloofd? Morgen wordt daarover een congres gehouden in Amsterdam.

Directeur J. Dooremalen van het maatschappelijk werk in Tilburg, een van de sprekers, wil aan ethische kwesties niet te veel woorden vuil maken. “In onze geïndividualiseerde samenleving moet iedereen zijn eigen boontjes doppen op het gebied van wonen, financiën, dagbesteding, gezondheid en relaties. Wij constateren dat er mensen rondlopen die er op meerdere terreinen een potje van maken. Je kunt dan op een ethische stoel gaan zitten en vragen of je hun zelfbeschikkingsrecht met voeten treedt door ze te dwingen hulp te aanvaarden. Maar je kunt deze mensen ook niet in hun vet gaar laten smoren. Je hebt als maatschappelijke organisatie de plicht te helpen. Een permissieve samenleving lost niets op.”

Het Tilburgse maatschappelijk werk plukt al jarenlang, na tips, mensen van de straat die zichzelf in de nesten hebben gewerkt en overlast veroorzaken. Vooral mensen met schulden, maar ook mensen die slecht zelfstandig kunnen wonen, en vervuilde ouderen die elk contact met de buitenwereld hebben verbroken. Volgens Dooremalen is het “een zeer gemêleerd gezelschap” dat dikwijls kampt met zwakbegaafdheid, sociale tekorten, psychiatrische problemen en verslavingsproblemen. Niet dat de oorzaken er iets toe doen, zegt Van Dooremalen: “Door iemand schizofreen te noemen, help je hem nog niet om zelfstandig te wonen.”

Een kleine vijfhonderd Tilburgers met schulden hebben, min of meer vrijwillig, hun inkomen afgestaan aan de door het maatschappelijk werk opgezette stichting Blut. De cliënten krijgen leefgeld, aan de hoogte daarvan valt niet te tornen. Al even onverzettelijk zijn de Tilburgse maatschappelijk werkers in hun pogingen vereenzaamde en vervuilde ouderen te helpen. Twee van hen doen niets anders dan soms wekenlang op de stoep staan om te proberen contact te leggen. Ze kloppen op de ramen en praten op ze in door de brievenbus of een spleetje in de deur. Vaak mogen ze uiteindelijk binnen om orde te scheppen in de “eindeloze verzamelingen rotzooi”, aldus Dooremalen.

Het begrip onvrijwilligheid is bij dit alles relatief, onderstrepen maatschappelijk werkers in het hele land. De cliënten staan met de rug tegen de muur. Sommigen zijn blij dat ze serieus worden genomen. P. Dings, hoofd hulpverlening van het maatschappelijk werk in Nijmegen: “Het woord gedwongen is onjuist. Iemand die twintigduizend gulden schuld heeft gemaakt, moet daar iets tegenover stellen. Hij moet leren de tering naar de nering te zetten.”

Het lijkt er op dat een nieuwe zakelijkheid, hoe beperkt ook, het maatschappelijk werk inspireert. Niet langer staan alleen de hoogstpersoonlijke gevoelens van het individu centraal. Ook de samenleving mag claims op het individu leggen. Projectcoördinator H. Roskam uit Den Haag: “Vroeger was de opvatting bij ons dat je ook met een uitkering een leuk leven moest kunnen hebben. Werk was niet het enige belangrijke. Die houding is bij ons wel veranderd. We schreeuwen niet van de daken dat arbeid vrij maakt. Maar we erkennen wel dat arbeid helend kan werken.”