In 1991 plan voor ingrijpen in Suriname

DEN HAAG, 6 NOV. De Nederlandse regering heeft najaar 1991 overwogen zonodig met militaire middelen in te grijpen in Suriname. Namelijk in het geval dat legerleider Desi Bouterse naar de macht zou grijpen. Een kleine groep ministers uit het toenmalige kabinet-Lubbers/Kok heeft destijds in de beslotenheid van Lubbers' “Torentje” aan de Haagse Hofvijver overlegd over een “contingency-plan” om de in september 1991 gevormde democratische Surinaamse regering van president Ronald Venetiaan te hulp te komen tegen een eventuele staatsgreep van Bouterse.

Dit schrijft oud-minister A.L. (Relus) ter Beek (PvdA) in zijn vandaag verschenen boek Manoeuvreren, Herinneringen aan Plein 4, waarin hij terugkijkt op zijn 1.749 dagen ministerschap van Defensie (1989-1994).

De vrees voor een machtsgreep van Bouterse was in het derde kabinet-Lubbers najaar '91 zó groot dat Ter Beeks ministerie opdracht kreeg een zogenoemd “worst case scenario” uit te werken, wat gebeurde onder leiding van generaal Henk van den Breemen, de huidige chef defensiestaf. Dat scenario is “gelukkig nooit werkelijkheid geworden”, voegt Ter Beek daar direct aan toe. Ter Beek, de derde PvdA-minister op Defensie, schrijft dat hij om politieke én militair-operationele redenen weinig voelde voor een Nederlandse interventie in het in 1975 onafhankelijk geworden Suriname. Hij verwijt zijn toenmalige collega Hans van den Broek (Buitenlandse Zaken, CDA), die hij vaak kritiseert, dat hij “al op 26 mei 1991, meteen na de Surinaamse parlementsverkiezingen, gespierde taal sprak”. “Hij sloot militair ingrijpen niet uit als daarom vanuit Paramaribo werd gevraagd.”

Ter Beek vond dat “tromgeroffel” van zijn collega “niet verstandig” maar moet erkennen dat steeds meer ministers in Den Haag net als Van den Broek gingen denken, zodat Defensie ten slotte een “worst case scenario” (een plan voor militaire interventie) moest maken.