Het crisismanagement van Sorgdrager

De ministers van het kabinet-Kok verdedigen deze weken hun begrotingen in de Tweede Kamer. Het kabinet is halverwege de rit. Vandaag: Minister Sorgdrager (D66, Justitie), een tussenbalans.

DEN HAAG, 6 NOV. Al op de eerste dag van haar ministerschap was het raak. Sorgdrager schreef die ochtend, na de kennismakingsronde op het departement, een cheque uit van twee miljoen gulden voor een informant die door toedoen van politie en justitie in levensgevaar zou verkeren. De informant, 'Haagse Kees', leeft nog steeds riant van de uitkering - op een steenworp van Den Haag.

Belangrijker voor haar politieke loopbaan was dat de nieuwe minister, net als indertijd minister van Justitie Hirsch Ballin, betrokken was bij de IRT-affaire. De justitiële crisis baart nog dagelijks zorgen op het ministerie. Gemakkelijk heeft de eerste vrouwelijke minister van Justitie het daarom nooit gehad. Onbekend als ze was toen formateur Kok in augustus '94 haar naam koppelde aan dit departement, groeide Sorgdrager uit tot een van de meest besproken bewindspersonen van het kabinet-Kok.

De IRT-affaire (genoemd naar de opsporingsperikelen van het interregionaal rechercheteam NoordHolland/Utrecht) zorgde ervoor dat Sorgdrager veel van haar plannen op sterk water moest houden totdat de parlementaire enquête opsporingsmethode was beëindigd. Sorgdrager presenteerde zich als de minister die het evenwicht wilde herstellen na de periode waarin de crimefighter Hirsch Ballin zijn pijlen had gericht op de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. “Ik ben nu op een punt aangekomen dat de slinger even stil moet hangen”, zei Sorgdrager destijds in een vraaggesprek met deze krant. Er moest weer meer aandacht komen voor de belangen van de burger en van de verdachte, vond ze. Zo keerde zij zich tegen de introductie van de kroongetuige in het strafproces, omdat de overheid in haar ogen geen vuile handen mocht maken.

Enkele maanden na de verhoren van de enquêtecommissie-Van Traa, waarin Sorgdrager zelf ook moest verschijnen, kreeg de minister haar gelijk. Enquêtecommissie, kabinet en Kamer besloten eensgezind dat de opsporing aan strenge regels moest worden gebonden. Toch kostte de IRT-affaire haar al in het eerste jaar bijna de kop.

Ruim voor de enquête voorbij was maakte Sorgdrager een eind aan het dienstverband van haar voormalige collega procureur-generaal Van Randwijck bij het openbaar ministerie, omdat zijn aanwezigheid een verbetering van de zorgwekkende situatie in het ressort Amsterdam in de weg stond. Zij maakte daarbij de cruciale fout Van Randwijck een gouden handdruk in het vooruitzicht te stellen, zo vond de Kamer, inclusief de regeringsfracties. In het debat hierover leek haar aftreden een kwestie van uren. Sorgdrager kreeg echter op de valreep, nadat zij daar expliciet om had gevraagd, het vertrouwen van de Kamer.

De IRT-affaire en de parlementaire enquête maakten Sorgdrager niet helemaal werkloos. Intern moest er wat gebeuren, realiseerde zij zich. Op het ministerie, waar mede door de affaire een ware crisissituatie was ontstaan, stelde zij rond Kerstmis vorig jaar orde op zaken door in enkele weken tijd bijna de voltallige ambtelijke top weg te sturen, inclusief de falende secretaris-generaal. Voor haarzelf was de ergste storm toen al gaan liggen. Haar kordate optreden jegens de ambtelijke top verschafte haar veel krediet op het Binnenhof.

Sorgdrager had bovendien al een plan ontworpen om het stuurloze en versnipperde OM drastisch te reorganiseren en dichter naar zich toe te trekken. In de ogen van verscheidene onderzoekscommissies was het openbaar ministerie de grote schuldige aan de opsporingscrisis. Wie kan zo'n operatie beter uitvoeren dan toenmalig BVD-chef A. Docters van Leeuwen, moet Sorgdrager hebben gedacht.

Inmiddels wordt de voorzitter van het college van procureurs-generaal, partijgenoot van Sorgdrager, op het departement al weinig liefkozend “de Couzy van Justitie” genoemd. Die bijnaam verwijst naar de voormalige chef Defensiestaf die het zijn toenmalige baas minister Ter Beek, maar ook diens opvolger Voorhoeve, veelvuldig lastig maakte. Docters van Leeuwen heeft de reorganisatie van het OM inderdaad in gang gekregen, maar er zijn perioden dat geen van beiden het einde van de week haalt zonder kleerscheuren.

Onlangs ontkende Docters van Leeuwen nog publiekelijk dat hij met de politieke gezagsdraagster overeenstemming had bereikt over de ministeriële verantwoordelijkheid voor het OM, terwijl de minister met grote stelligheid beweerde dat dat wel het geval was. Haar strijd met de staande magistratuur is nog niet voorbij.

Ronduit teleurstellend was voor Sorgdrager de uitkomst van de discussies over het softdrugsbeleid. Terwijl zij bij haar aantreden had gehoopt een verdere liberalisering van het softdrugsbeleid te kunnen bewerkstelligen, eindigden de drugsdebatten - vaak vooral met Frankrijk - met de conclusie dat het beleid alleen maar kon worden aangescherpt. Niet uitgesloten is dat zich wat betreft de buitenlandse kritiek een vergelijkbare trend zal voordoen bij heropening van het debat over de euthanasiewetgeving, waar in politieke, justitiële en medische kringen reikhalzend naar wordt uitgekeken. Sorgdrager is met het OM van mening dat het politieke compromis van 1993, waarbij de rechter tot 'wetgever' werd gebombardeerd, geen net resultaat was. De vraag is echter of er deze keer meer ruimte is voor een wetgevende oplossing.