Geknipte kandidaat voor opfriscursus burgemeesters

De burgemeester van Groningen, drs. Hans Ouwerkerk, publiceerde enige weken geleden een behartigenswaardig plan om de achterstand in de scholing van burgemeesters in te lopen. Namens het Genootschap van Burgemeesters, waarvan hij voorzitter is, lanceerde hij een cursus 'Beter besturen' voor burgemeesters, ten dele bedoeld als herhaling, ten dele als opfrissing en ten dele als bijscholing.

De bedenker van het cursusplan kon toen niet vermoeden dat hij zichzelf bij wijze van boetedoening als eerste zou moeten laten inschrijven. Een week nadat Ouwerkerk zijn bijscholingsplan aankondigde - een initiatief van het Genootschap in samenwerking met het ministerie van Binnenlandse Zaken - werd namelijk bekend dat hij jarenlang een betaalde nevenfunctie voor de gemeenteraad van Groningen heeft verzwegen: een adviseurschap van een aannemingsbedrijf uit Groot-Ammers, nabij zijn vroegere standplaats Lekkerkerk.

Aangezien het om een modaal, dat wil zeggen behoorlijk gehonoreerd commissariaat gaat, had het volgens de regels van het openbaar bestuur aan de raad moeten worden gemeld. De vraag of hier sprake was van bewust of onbewust verzwijgen bleef in nevelen gehuld. Ouwerkerks excuus (“stomweg vergeten”) is in elk geval niet sterk genoeg om zichzelf van de cursus te verschonen. Ook hij zal dus weer op herhaling moeten om zich aan de tucht van de openbaarheid te leren onderwerpen.

De voorzitter van het Genootschap van Burgemeesters mag geen erg gelukkig moment voor zijn cursuswerving hebben gekozen, aan de noodzaak van zijn initiatief doet dat niets af. De IRT-enquête heeft te veel bestuurlijke problemen aan het licht gebracht die de gemeentebestuurders in Nederland, met inbegrip van de burgemeesters, boven het hoofd zijn gegroeid. Dat ligt in belangrijke mate aan de omvang van die problemen, maar ook aan bestuurlijke incompetentie.

Het siert het Genootschap van Burgemeesters dat het niet de ogen heeft gesloten voor de incompetentie in eigen kring. Ouwerkerk noemde in een radio-uitzending op 11 oktober zelfs man en paard. Het baarde hem zorgen dat nog te veel burgemeesters, vooral diegenen die hun benoeming aan de voorspraak van hun politieke partij te danken hebben, in het ambt worden benoemd zonder de vereiste juridische kennis van gemeente- en administratief recht. Voor die uit de politiek gerekruteerde burgemeesters is een bijscholingscursus zeker geen overbodigheid.

Evenmin overbodig is het onderdeel gewijd aan 'de schemerzone tussen integriteit en corruptie'. Dat is nog maar een voorlopige titel, want de stof is nog niet vastgesteld, maar het geeft een richting van denken aan die doet vermoeden waar de schoen wringt. (Les één: een burgemeester mag geen geschenken aannemen omdat die zijn oordeelsvorming kunnen beïnvloeden. Les twee: een burgemeester moet spreekwoordelijk ongevoelig zijn voor gunsten. Les drie: een burgemeester wijst alle aanbiedingen die hem worden voorgehouden resoluut van de hand).

Het lijkt met de omkoopbaarheid van burgemeesters overigens wel los te lopen. Uit het IRT-onderzoek is de Nederlandse burgervader in het algemeen met een tamelijk schoon blazoen tevoorschijn gekomen. De uitzonderingen die de commissie-Van Traa op de regel heeft gevonden, getuigen niet van ernstige zedeloosheid.

De commissie is overwegend minuscule corruptie in de categorie peulenschillen op het spoor gekomen: veelal 'grintgiften' aan burgemeesters. De een had zich op een nieuwe deklaag van zijn grintpad laten tracteren, een ander had zich een paar kuub grint in zijn achtertuin laten bezorgen. Voor Limburg, waar die uitzonderingen hoofdzakelijk zijn gesignaleerd, zijn dat geringe pekelzonden, die vóór 'Van Traa' gewoonlijk in de biechtstoel werden kwijtgescholden. Grint genoeg voor heel de wereld, dus waarom niet ook voor de burgemeester? Maar sinds 'Van Traa' moeten ook Limburgse burgemeesters hangen als ze een geschenkzending grint niet per kerende post retourneren.

Het kan geen kwaad ook een hoofdstuk over de historie van de bestuurlijke omkoopbaarheid in de cursus op te nemen. Bestuurlijke corruptie op grote schaal gaat terug tot het regentendom in de Republiek van de Zeven Provinciën. Fruin sprak zijn verbazing uit over de schaamteloze praktijken van de machthebbers onder de regenten, die niets deden zonder er zelf beter van te worden, maar noemde de bestuurlijke corruptie evengoed door en door in overeenstemming met het Nederlandse volkskarakter.

De Staten van Holland vertrouwden de Raadpensionaris niet meer dan ze zichzelf vertrouwden en bonden hun hoogste ambtenaar aan een ambtsinstructie, waarin hem verboden werd “Giften, Gaven of Geschenken” aan te nemen, “hoe kleyn die oock souden moghen wesen”.

Dat de regenten het nog niet bonter maakten dan ze al deden, was volgens Fruin niet aan de veredeling van hun karakter toe te schrijven, “maar alleen aan de verbetering van onze staatsinstellingen, en bovenal aan de publiciteit, die hun wanbedrijf vergeldt met wat het waard is, de algemene verachting” (Uit: Nederlandsche Spectator, 1864).