Biotech verruimt mogelijkheden van de grote farmaconcerns

De grote farmaceutische industrieën ontwikkelen zelf onvoldoende succesvolle medicijnen om de groei te handhaven. President Global Research prof. dr. Jürgen Drews van Hoffmann-La Roche rekende onlangs in Bazel voor hoe hoog de nood is en welke perspectieven de biotechnologie biedt.

De grootste farmaceutische bedrijven ter wereld hebben te weinig nieuwe produkten in de maak om hun omzet te laten groeien met de beoogde 10 à 15 procent per jaar. Zelfs het handhaven van de omzet is problematisch. De biotechnologische bedrijven, waar medicijnen op grond van kennis op genetisch gebied worden ontwikkeld, bieden echter voldoende perspectief om het tekort aan nieuwe middelen op te vangen.

Prof. dr. Jürgen Drews, de hoogste researchdirecteur van Hoffmann-La Roche, maakte onlangs op een persconferentie van medische journalisten in Bazel aan de hand van econometrische berekeningen begrijpelijk waarom de grote farmaceutische industrieën het afgelopen jaar veel geld voor overname of samenwerking met relatief kleine biotechnologische bedrijven over hadden.

De wereldwijd opererende farmaceutische industrieën brengen de laatste jaren samen jaarlijks ongeveer 40 nieuwe medicijnen op de markt. Tien jaar geleden waren het er nog 60. Het probleem voor de farmaceutische industrie is niet alleen dat er minder medicijnen uit hun laboratoria komen. Er is een aantal andere problemen. De kosten om een medicijn naar de markt te brengen nemen sterk toe.

De farmaceutische industrie klaagde vroeger over de korte octrooitijd die resteerde als een middel na lang onderzoek en een registratieperiode eindelijk op de markt was, tegenwoordig hebben de bedrijven meer aandacht voor de exclusieve periode. Een echt nieuw middel, met een nieuw werkingsmechanisme of tegen een ziekte waartegen nog geen pil bestond, heeft tegenwoordig minder lang het rijk alleen op de markt. Daarin moet eerst vertrouwen in het middel worden opgebouwd, maar bij succes kan de omzet snel toenemen, kan een concurrent de prijs niet onder druk zetten en vloeit de opbrengst van het dure pionierswerk niet in de kas van de navolger. Tegenwoordig is de concurrentie er steeds sneller bij. Drews: “De eerste bèta-blokker propanolol die in 1968 op de markt kwam, had tien jaar een exclusieve markt. Prozac dat in 1988 verscheen had vier jaar het rijk alleen als serotonine-heropnameremmer, terwijl de eerste HIV-proteaseremmer die vorig jaar verscheen, al na een paar maanden door concurrerende proteaseremmers werd gevolgd.”

Volgens Drews produceren de 50 grootste farmaceutische bedrijven thans al te weinig nieuwe middelen om hun omzet te handhaven, laat staan dat groei mogelijk is. Drews baseert zijn berekening op het aantal onderzoeksprojecten dat de top-50 bedrijven tussen 1990 en 1994 zijn begonnen. Dat waren er 1271, waarvan de toptien-bedrijven er 580 voor hun rekening namen. Aangenomen dat het tegenwoordig minimaal vijf jaar kost voordat een nieuwe chemische stof als medicijn op de markt kan verschijnen, onder de aanname ook dat 40 procent van de gestarte projecten in een ontwikkelingsfase komt en dat 10 procent daarvan uiteindelijk de markt bereikt, dan betekent dit dat de toptien-bedrijven in 1999 5,8 nieuwe medicijnen op de markt brengen. De top-vijftig komt maar tot 12,8. Dat zijn er, vindt niet alleen Drews, veel te weinig om al die bedrijven een toekomst te kunnen bieden. Iedereen verwacht daarom meer fusies in de farmaceutische wereld.

Om de omzet te handhaven hebben de toptien-bedrijven vijf nieuwe medicijnen meer nodig dan ze zelf ontwikkelen, berekende Drews met een formule waarin naast researchuitgaven ook succespercentages voor nieuwe projecten, ontwikkeltijd, omzet en levensduur van een medicijn werden meegewogen. Als de toptien de gewenste groei van 10 tot 15 procent wil handhaven is er zelfs een jaarlijks tekort van 13 à 18 nieuwe marktintroducties.

Hoeveel zouden de bedrijven méér in hun research en ontwikkeling moeten investeren om het gat te dichten? Ieder nieuw medicijn vereist 25 kansrijke projecten met ieder 25 personeelsleden die een paar jaar aan de slag gaan. Inclusief de kosten voor gebouwen, apparatuur en materiaal rekent Drews voor een extra medicijn een investering van één à twee miljard dollar. Veel farmaceutische bedrijven staan daardoor op dit moment voor het probleem dat ze hoge inkomsten moeten genereren om veel te kunnen investeren in producten die pas over vijf tot tien jaar een kans geld op te brengen.

Het marktanalysebureau Lehman Brothers onderbouwt de problemen die Drews schetst, met voorbeelden in dollars. Met 4 miljard dollar investeringen in 1980 behaalde de farmaceutische industrieën tien jaar later een omzet van 105 miljard, een rendement van 22 procent. Dit soort rendementen zijn tegenwoordig volgens Lehman onmogelijk realiseerbaar. De ontwikkelingskosten voor een nieuw medicijn zijn opgelopen tot ongeveer 600 miljoen dollar. Een R&D-investering van 29 miljard dollar in 1994 moet in 2004 227 miljard opbrengen om 12 procent rendement te halen. Dat kan volgens de marktanalysten alleen in een markt die 9 procent per jaar groeit. Die groei haalt de farmacie volgens Lehman niet meer.

Drews: “Ter verdediging van hun posities kunnen de farmaceutische industrieën een defensieve strategie kiezen. Enkele doen dat ook en verwerven zich door overnames een positie in het care management.” Een geneesmiddelenfabrikant bundelt zich dan met een verzekeraar, zorgverleners en geneesmiddelenverkopers tot een exclusief afzetkanaal. Die strategie wordt gevolgd door veel industrieën in de Verenigde Staten, waar het concept van care management al verder ontwikkeld is.

Drews volgt liever een offensieve aanpak: versterken van de innovatieve capaciteit, binnen of buiten het eigen bedrijf. Roche's researchdirecteur denkt dat het eigen onderzoekswerk vlotter verloopt als de researchafdelingen losser komen te staan van de bureaucratische concernstructuren. De onderzoekscentra zouden half-autonoom kunnen worden. En extern zou het contact met biotech firma's en universiteiten moeten worden versterkt.

De grote farmaceutische industrieën hebben de laatste paar jaar stuk voor stuk fors geïnvesteerd in vaak nog jonge en kleine biotechnologische bedrijfjes. Gewild waren vooral de bedrijfjes die databanken of technieken hadden ontwikkeld waarmee genetische informatie in geneesmiddelen kan worden omgezet.

Van de farmaceutische industrie uit gezien waren die inversteringen terecht. Drews citeerde drie marktanalysebureaus die verwachten dat tot het jaar 2000 de biotechnologiefirma's ieder jaar 13 tot 24 nieuwe medicijnen op de markt kunnen brengen. Wellicht is die schatting te laag want in 1995 brachten de firma's al 29 nieuwe produkten voort en dit jaar zullen het er ook 29 zijn.

Drews heeft zelf laten rekenen aan de vraag of in de verdere toekomst grote inversteringen in de biotechnologie zin hebben. Voor hem was daarbij vooral belangrijk welke bijdrage de kennis van alle ongeveer 100.000 menselijke genen aan de farmacologie zal bijdragen. Die kennis komt nu in hoog tempo beschikbaar en de volgorde van al het menselijk DNA zal in de eerste jaren van de volgende eeuw bekend zijn.

Om de potentie van die kennis voor de geneesmiddelenindustrie te schatten, liet Drews uitzoeken hoeveel medicijnen er tegenwoordig bestaan, waarbij hij alleen de middelen met een bewezen heilzaam effect en een bekende moleculaire werking liet tellen. Dat zijn er 417, temidden van duizenden medicijnen waarvan ofwel het effect ofwel de werking niet vast staat. Drews: “Daarna liet ik in medische leerboeken tellen hoeveel ziekten eigenlijk als een probleem van enige omvang worden beschouwd. Dat zijn er ongeveer honderd.” Waarbij overigens één ziekte meerdere oorzaken kan hebben. Er zijn een paar ziekten die door een fout in één gen worden veroorzaakt. Alle andere ziekten ontstaan - in de visie van de gen-onderzoekers - door biochemische processen waar naar schatting vijf tot tien genen bij betrokken zijn.

Drews: “Honderd ziekten levert ons dus 500 tot 1000 ziektegenen, maar die zijn ieder weer door andere biochemische processen te beïnvloeden waaraan ook weer genetische informatie ten grondslag ligt. Zo schatten we dat ieder van de ziektegenen nog eens door drie tot tien genen wordt beïnvloed. Bij elkaar komen we op 1500 tot 10.000 genen als doelen voor nieuwe geneesmiddelen. Dat is ongeveer een factor tien meer dan de 417 moleculaire doelen die thans voor geneesmiddelen bekend zijn. Mijn conclusie is daarom dat de op genetische kennis gebaseerde farmaceutische industrie mogelijkheden genoeg heeft.”

Drews staat in die conclusie niet alleen. Lehman Brothers berekende dit voorjaar hogere rendementen voor zowel de grote farmaconcerns als de kleine biotechbedrijven als ze samenwerking zoeken. Voor de biotech-bedrijven is het goed als ze zich open opstellen, want de grote bedrijven hebben de ervaring om snel produkten te ontwikkelen. Bovendien beheersen de groten de afzetkanalen. Drews voorspelt dat de grote farmaceutische bedrijven het ontwikkelingswerk zullen gaan doen en voor nieuwe ideeën sterk zullen leunen op kleine bedrijven en universiteiten. “Maar de grote bedrijven moeten enige hoogwaardige research in huis houden”, aldus de researchdirecteur van Roche, “al is het maar om een serieuze gesprekspartner te blijven.”